standards:
xhtml  css

Geschiedenis

Openluchtmuseum Het Hoogeland toont het wonen en werken op het platteland rond 1900. Een kleine 20 ingerichte gebouwen op het museumterrein illustreren deze geschiedenis. Via de aanduidingen links op het scherm komt u meer te weten over de gebouwen en hun geschiedenis.

Het noord-Groninger platteland rond 1900: de bewoners werken voor een belangrijk deel op de grote boerderijen op de vruchtbare zeeklei. Op de boerderijen zelf wonen alleen de voormannen en de belangrijkste knechten. Het overige personeel woont in de kleine dorpen en moet elke ochtend vroeg uit de veren om de wandeling naar het werk te maken.

De huizen in de dorpen zijn vaak klein: een woonkamer met bedsteden een keukentje en een bijkeuken zijn meestal de enige ruimten in huis. 

Burgerwoonhuis

In de Kosterij is te zien hoe een woning van de betere stand er uit zag.

De Schilder

Rond 1900 ademde een dorp een andere sfeer uit dan nu, honderd jaar later. Er was veel bedrijvigheid in de kleine werkplaatsjes van onder andere de smid, de timmerman en de schilder.

De Schoenmaker

In de tweede helft van de 19e eeuw kwamen de meeste schoenen al uit de grotere werkplaatsen of fabrieken, maar een aantal schoenmakers bleef zelf thuis schoenen maken.

Het Eten

Iedereen had een vrij vast eetpatroon. De keuze aan groente was veel kleiner dan tegenwoordig en bijna alle groente werd in een stamppot verwerkt. Aardappelen en groente verbouwde men in het eigen tuintje. Een groot deel van de groente werd ingemaakt voor de winter. In de loop van de 19e eeuw veranderde de manier waarop het eten werd gekookt.

Handel over Water

De aanvoer van goederen uit de stad vond veelal plaats over de vele kleine vaarten in Noord-Groningen. Grossiers uit de stad voorzagen hun klanten in de wijde omtrek via beurtschippers van hun waren.

Hörnhoes

Derk Meyer was landbouwer en hij verhuurde beide helften. Dat deden ook de latere eigenaars. De bewoners waren meestal dagloners. In 1923 werd het huis gekocht door Comprecht van der Hal en zijn vrouw Geertje Hoogstraal, die er zelf gingen wonen.

Het Huis Markus

In 1834 gebouwd door de joodse koopman Abraham Markus. Het huis is ingericht als joodse slagerij rond die tijd.

De Kleding

In bijna elke huishouding was een linnenkast. Tot 1900 was de kleding vooral functioneel en weinig modieus. Een huishoudelijke bezigheid die minstens zon vast stramien als het eten kende, was de wekelijkse was op maandag.

De Landarbeiders

Op het Hogeland woonden in de negentiende eeuw gemiddeld ongeveer 40.000 mensen. Meer dan de helft daarvan was direct of indirect betrokken bij de landbouw.

Landbouwonderwijs in Noord-Groningen

Tot de vroege 19e eeuw ging de kennis van het boeren over van vader op zoon. In Noord-Groningen werd al op een vroeg moment gestart met landbouwonderwijs.

Middenstand

Om in het onderhoud te kunnen voorzien moest men vaak meerdere baantjes met elkaar combineren. Op het museumterrein is in het café Bie Koboa goed te zien hoe die verschillende werkzaamheden naast elkaar werden uitgevoerd.

De School

Rond 1900 was de tijd voorbij dat de kosters aan de kinderen les gaf. Veel schoolmeesters droegen hun kennis niet alleen op school uit, maar waren daarnaast ook  maatschappelijk actief. In de schoolklas zijn de nieuwe lesmethodes uit de jaren 20 van de vorige eeuw te zien: schoolplaten hangen aan de muur en de leesplankjes van Hoogeveen liggen op de bankjes.

Rottumeroog

In de Middeleeuwen was het eiland ("oog") in het bezit van het Benedictijner klooster te Rottum en het Praemonstratenzer klooster in de Marne. De kloosterdommen kwamen bij de definitieve overgang naar het protestantisme aan de Staten van Stad en Lande. In 1798 onder de Bataafse Republiek wordt het eiland nationaal eigendom.

T.B.C.

Het merendeel van de Noordgroningse bevolking woonde in kleine huisjes, waar de omstandigheden voor de gezondheid matig tot slecht waren. Besmettelijke ziektes, waaronder tuberculose, kregen door deze omstandigheden volop de kans om uit te breken. Voor dit kuren in de zon en uit de wind had men de oplossing gevonden door de bouw van lighallen of TBC-huisjes.

De Veearts

Bij ziekte van de paarden of bij een moeilijke geboorte van een veulen werd de veearts er bij gehaald. Warffum kende een eigen veearts voor de omliggende boerderijen.

Vrouw Fransens

De zorg voor oude mensen lag in eerste instantie bij de familie. Eventueel kon men een beroep doen op de diaconie van de kerk of op het gemeentelijk armbestuur. Soms was er een particulier initiatief om ouderen of armen te steunen.

Wilsterflappen in Groningen

Het vangen van goudplevieren met netten is minder  bekende manier van vogels vangen. Dit wilsterflappen is al een oude  vangtechniek. De meeste vangers waren mensen met een klein inkomen, die met het vangen van wilsters 's winters wat bij wilden verdienen.

De Woonwagen

De verkoop van kleine goederen (knopen, garen, elastiek ed.) was meestal in handen van marskramers, in het Gronings kiepkeerln. Behalve de marskramers waren er ook ambulante handelaren die met een woonwagen over het Hogeland trokken.

Zuigelingenzorg

De huisarts Posthumus uit Eenrum propageerde begin jaren dertig dat babys zoveel mogelijk buitenlucht moesten hebben en raadde daarom moeders aan om hun baby in een babybuitenhuisje op het gras te leggen.