Aan het einde van de 12e eeuw verschijnen de eerste kloosters in de Ommelanden. In 1175 het Oldeklooster (Premonstratenzers), rond 1183 de Benedictijner kloosters Germania in Thesinge en Feldwerd bij Holwierde en in 1192 de Cisterciënzer abdij in Aduard. Het klooster in Aduard groeit uit tot het grootste van Noord-Nederland. In de 13e eeuw volgen nog een paar vestigingen: vóór 1226 in Rottum (Benedictijnen), vóór 1284 in Warffum en vóór 1304 in Wijtwerd (beide Johannieters).
In de kloosters wonen en werken niet alleen monniken, maar ook lekenbroeders en zusters. Monniken bewerken de landerijen in de directe omgeving van het klooster. De verder gelegen landerijen worden verpacht of vanuit een kloosterboerderij (voorwerk) door leken onderhouden. De abt bekleedt in de lokale politiek belangrijke functies op het gebied van de rechtspraak, bestuur en waterstaat. Aanleiding voor deze prominente rol is het grootgrondbezit van de kloosters, het beheersen van het schrift én kennis van de kerkelijke en wereldlijke wetten.
De komst van de kloosters valt praktisch samen met de aanleg van de Oude Dijk aan het begin van de 13e eeuw. De dijk sluit het kustgebied van Hornhuizen tot Uithuizermeeden af van de zee. Overigens houden niet alleen kloosters zich bezig met dijken, maar ook boeren en dorpen werpen dijken op om have en goed, land en woongebied te beschermen.
![]() |
| dijkrestant, west van Lutteke Hoijsum |
Naast dreiging door zeewater doet zich een nieuw waterprobleem voor. Met het dichtslibben van de kweldervlakte verzandt de rivier de Fivel, waardoor de afwatering van het achterland stokt. Aan het einde van de 12e eeuw worden dammen en dijken aangelegd om het water te lozen via het riviertje de Delf in plaats van de Fivel. Zo ontstaan enkele polders.
Afwatering van de gebieden rond Baflo en Warffum blijft een hoofdbreker vanwege het verzanden van het Wad. Daarom verlegt men de afwatering naar het zuiden, landinwaarts. Er worden nieuwe weteringen gegraven, zoals het Warffumermaar, en oude kreken krijgen een rechtere waterloop. Tussen 1350 en 1450 wordt de zuidelijke afwatering rond Warffum gerealiseerd, waardoor het water voortaan via het Winsumer- en Reitdiep in zee wordt geloosd.
![]() |
| Noordpolder, priel |
Ook andere gebieden hebben te kampen met afwateringsproblemen. Het waterschap Winsumer- en Schaphalsterzijlvest en het Schouwerzijlvest (oostelijk deel van de Marne en het westelijk deel rond Baflo) zijn genoodzaakt hun afwatering te veranderen. In 1458 wordt besloten dat ook Uithuizen, Zandeweer en Overmaringhe voortaan via de Winsumerzijl mogen afwateren. Hiervoor moeten wel de nodige organisatorische en technische ingrepen worden verricht, zoals het graven van nieuwe waterverbindingen. Om al het water te kunnen verwerken, wordt in 1459 het oude Winsumerzijl vervangen door een nieuw zijldiep met een afwatering door de Schaphalsterzijl. De afwatering van het mondingsgebied van de Oude Hunze verloopt sinds 1520 via de Schouwerzijl op het Reitdiep.
Kloosters, dorpen en particulieren realiseren zich dat samenwerking noodzakelijk is om kustverdediging en afwatering goed te regelen. Per landschap (regio) ontstaan eigen rechtsboeken die het erf-, zijl- en dijkrecht regelen. De organisatie van de zijlvesten of waterschappen is in eerste instantie van onderaf geregeld. De waterschappen zijn onderverdeeld in schepperijen, die op hun beurt weer bestaan uit zijl-eden. Maar in de loop der jaren verandert dit door conflicten. Er treedt concentratie van macht op.
Boven de zijlvesten functioneren de warven. Sinds 1392 zijn dat Oosterwarf voor Hunsingo en Fivelingo en sinds 1416 Westerwarf voor het Westerkwartier. De vertegenwoordigers van de warven komen bijeen in de stad Groningen, die dankzij een contract met de Ommelanden de zetel is geworden van het hoogste rechtscollege. Sinds de 15e eeuw is de stad zelfs de machtigste partij in het college.
De warven, later aangeduid als Hoofdmannenkamer, vaardigen wetten uit en spreken recht. Uit alle wetsteksten en warfsoordelen van de Hoofdmannenkamer ontstaat in 1448 het Ommelander Landrecht, dat in 1601 voor de gehele Ommelanden van kracht wordt.
Het door elkaar functioneren van dijk- en zijlrecht, rechtspraak en kerkelijke competenties maakt het bestuursstelsel van het Groninger platteland overigens tot de meest ingewikkelde van de Republiek (1579-1798).
Voor het toezicht op de dijken zijn dijkrechten verantwoordelijk. Er zijn verschillende van deze bestuurscolleges, afhankelijk van aanleg en plaats van de dijk. Zo wordt tussen 1630 en 1650 een nieuwe kadijk of zomerdijk aangelegd, waarbij het dijkrecht van Warffum en Breede in het leven wordt geroepen. Dit dijkrecht is verantwoordelijk voor het Uiterdijksland tussen de Oude Dijk en de kadijk. Duidelijk is beschreven onder welke bepalingen de schouw plaatsvindt en welke boetes (breuken) er staan op slecht onderhoud. Het bestuur van het dijkrecht bestaat uit een president, iemand voor de algemene leiding en daarnaast vijf volmachten of dijkrechters, gekozen uit de grondgebruikers. Wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van welk dijkvak staat genoteerd in de dijkrol.
Verschillende overstromingen teisteren de bevolking. Het belang van dijkrechten is dan ook groot. De Allerheiligenvloed van 1570 slaat een gat in de dijk van de Marne en zet het gebied grotendeels onder water. Op 22 november 1686 loopt het water over alle noordelijke dijken, waardoor Pieterburen, Uithuizen en Uithuizermeeden vrijwel geheel wegspoelen. Catastrofaal is de Kerstvloed van 1717, waarbij zowel de Kadijk als de Oude Dijk bezwijken. De hele provincie loopt onder water. Naar aanleiding van deze ramp wordt in 1718 de Kadijk omgebouwd tot zeedijk, die voortaan Middendijk zal heten.