standards:
xhtml  css

Polders

Inpoldering

Het creëren van nieuw land door middel van dijken, inpolderen genoemd, gebeurt zowel in het achterland als op de buitendijkse kwelders. Aan het eind van de 12e eeuw ontstaan de eerste polders bij de aanleg van dijken in het achterland van de Fivel. Die worden aangelegd om de afwatering te verbeteren nu de Fivel langzaam verzandt. De Delf neemt de afwatering over. Bij deze inpoldering speelt de abdij Bloemhof bij Wittewierum een grote rol.

Bij buitendijkse kwelders gaat het om de aanleg van zomerdijken of kadijken. Deze dijken liggen in de kwelders vóór de zeedijken, zoals de Oude Dijk, en overstromen nog regelmatig. Na de Kerstvloed van 1717 treft de Provincie serieuze maatregelen om hier verandering in aan te brengen. Onder leiding van Thomas van Seeratt wordt de Middendijk aangelegd, wat eigenlijk een verhoging van de kadijk is. Het nauwgezette verslag en de gedetailleerde kaarten van de nieuwe polder geven inzicht in de wijze van dijkaanleg en verdeling en gebruik van het nieuwe land. Zo blijkt dat niet alle nieuwe grond, waarvan een deel in bezit is van de Provincie en afkomstig is uit onteigende bezittingen van het voormalig klooster Wijtwerd, direct wordt verdeeld.

De Noordpolder

Achter de nieuwe Middendijk ligt een omvangrijk kwelderland, dat zich uitstrekt tot aan de huidige Noorderdijk of Ommelander zeedijk. In 1811 wordt deze kwelder als de Noordpolder ingedijkt, al is de grond voor die tijd al wel in gebruik. Er liggen al enkele wierden of zeewijken waarop boerderijtjes staan. Dobben leveren drinkwater voor het vee.

Noordpolder, klief

De Noordpolder is de grootste kustpolder van Noord-Groningen en meet 2058 hectare, bijna over de gehele breedte van het Hoogeland. In 1827 krijgt de polder een begrenzing aan de zeekant door de aanleg van de Uithuizerpolder in het oosten, en in 1940 aan de westzijde door de aanleg van de Linthorst Homanpolder.

Beklemrecht en recht van opstrek

Het succes van de Groninger landbouw, die met name op de polders is gesitueerd, is niet alleen toe te schrijven aan de vruchtbare klei. Ook juridische zaken spelen een rol. Zo ontstaat in de 17e en 18e eeuw een ingewikkelde juridische wetgeving, die de rechten van de pachters in het Groninger land regelt. Dit beklemrecht geeft de gerechtigde de bevoegdheid om voor een bepaalde periode de grond van een ander te houden, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Zo heeft het provinciaal bestuur op het Hoogeland een groot deel van de grond in  eigendom, ruim één-vijfde van de cultuurgrond. Aan het eind van de 18e eeuw  wordt veel van deze grond verkocht aan vooral stedelijke patriciërs en enkele gefortuneerden.

Het beklemrecht vormt de basis onder het succes van de Groninger landbouw na 1870. De pachter gebruikt de grond tegen een vaste, lage huur. De groeiende opbrengsten, ontstaan na verbeteringen en investeringen, komen rechtstreeks aan de pachter. De bereidheid tot experimenteren met landbouwtechnieken is in Noord-Groningen groot.

De grondeigenaren profiteren ook van een ander juridisch voordeel: het recht van opstrek. Dat betekent dat onverkavelde woeste grond toekomt aan de aangrenzende eigenaren, voorzover het ligt in het verlengde van de sloten die hun grond afgrenzen. Dit geldt ook voor buitendijkse kwelders. Dat betekent dat de bestaande dijk, die zo op het land komt te liggen, ook valt onder verantwoordelijkheid van de eigenaren of pachters. Het toezicht op deze dijken is geregeld door de dijkrechten.

Voortrekkers in de landbouw

In de tweede helft van de 18e eeuw verbouwen de boeren van het Hoogeland, naast traditionele gewassen als haver en gerst, ook aardappelen en koolzaad. De export van haver, paarden en boter naar Engeland en Noord-Duitsland brengt de nodige winst in het laadje. Dat maakt het mogelijk om nieuwe technieken toe te passen, zowel in de akkerbouw als in de veeteelt.

Noordpolder, akker

Een voortrekker van het eerste uur is Geert Reinders, geboren te Warffum in 1737. Al in 1774 ent hij zijn runderen tegen de veepest. In 1799 richt Reinders het Veefonds op, om onkosten van de bestrijding van de veepest te dekken.

Een tweede pionier is Marten Aedsges Teenstra uit Zuurdijk. In 1778 start hij met het scheuren van zijn weilanden, maar vooral is hij bekend vanwege het stichten van modelboerderijen op het ingepolderde Ruigezand. Later gaat een kleinzoon van Geert Reinders bij de Teenstras in de leer, waarna hij het geleerde in 1815 in praktijk brengt bij het stichten van modelboerderij Groot-Zeewijk. Voordat hij de boerderij neerzet, voert hij eerst als voorman de bedijking van de Noordpolder uit.

Verschillende nazaten van Geert Reinders laten hun sporen na in de ontwikkeling van de landbouw. Dat loopt uiteen van het ontwerpen van een zaaimachine, het importeren uit Amerika van een hekeldorsmachine (de voorganger van de combine), het draineren van landbouwgrond tot het importeren en nabouwen van de Arendploeg, eveneens uit Amerika. Tot ver in de 20e eeuw was de akkerbouw op het Hoogeland bijzonder succesvol.