Ongeveer 600 jaar voor Christus vestigen de eerste bewoners zich in Noord-Groningen. Het gebied is daarmee het oudste cultuurlandschap van Nederland. Van deze bewoning is nog het een en ander zichtbaar, zoals de wierden, de maren en de dijken. Veel andere resten liggen echter verstopt onder de grond. Vanaf ongeveer 800 na Christus geven geschreven bronnen, zoals kloosterkronieken, ons de nodige informatie.
De eerste bewoners zijn afkomstig van de hogere zandgronden van Drenthe en Westerwolde. Men vestigt zich aan de zuidoostrand van het gebied, waar nu Middelstum ligt.
Kort nadat de eerste bewoners zich gevestigd hebben, stijgt de zeespiegel zodanig dat wonen op de kwelderwallen onmogelijk wordt. In plaats van weg te trekken, kiest men voor het ophogen van de woonplaatsen. Dit is het begin van de wierden- of terpentijd. Het ophogen van de kunstmatige woonheuvels gebeurt met huisafval, dierlijke mest en zoden. De boerderijen zijn gemaakt van hout en riet. De bewoners houden runderen, voor melk, vlees en huiden, en schapen voor wol. Op hogere gronden of op de terphellingen bedrijven ze akkerbouw. Verder doet men aan vis- en vogelvangst en het rapen van eieren.
![]() |
| Helwerd, wierde |
Met het overstromen van kwelders door de zee wordt de laag aangeslibte klei hoger. Maar de aanwinst van land is te gering om geen last te hebben van het zeewater. Om niet door het water verdreven te worden, hogen de bewoners de wierden verder op. Daarnaast gaat men dichter bij elkaar wonen om samen de strijd tegen het water aan te gaan. Er ontstaan grotere wierden met meerdere boerderijen.
In de eerste eeuw neemt het aantal overstromingen af, waardoor bewoning mogelijk wordt in het noorden van het gebied, rond Warffum en Usquert, en in de kom van de kwelderranden, zoals Warffumerklooster en Warffumerborg. Warffum wordt uitgebreid tot een dorpswierde.
![]() |
| Liudger, de Groningse tegenhanger van Bonifatius, preekt in het wierdengebied. |
Wierden worden opgeworpen in twee vormen: cirkelvormig, zoals Kantens en Rasquert, en rechthoekig, zoals Warffum, Eenrum en Huizinge. Bij de cirkelvormige wierden, waarbij de boerderijen met de schuren tegen een ring- of ossenweg liggen, hebben de percelen de vorm van een taartpunt. Beide vormen hebben naast elkaar bestaan. Gewassen als haver, gerst, tarwe, paardenbonen en vlas worden verbouwd. Runderen, paarden, varkens en schapen leveren huiden, melk, vlees, wol en kaas. Van knikklei maakt men potten. Dit alles levert genoeg op voor handel met de Romeinen, in ruil voor aardewerk, munten, glas, beeldjes en sieraden.
Vanaf 250 stijgt de zeespiegel en wordt de afwatering door opslibbing zo slecht, dat grote aantallen bewoners het gebied verlaten. Door vernatting en brak water ontstaan ziekten die leiden tot verdere ontvolking. De malariaparasiet doet zijn intrede. Op den duur ontstaat een inheemse vorm van malaria die regelmatig en tot ver in de 19e eeuw onder de naam tussenpozende koortsen of Groninger ziekte terugkeert
Rond 800 krijgt Noord-Groningen te maken de komst van het christendom. De missionarissen Bonifatius (in 754 bij Dokkum vermoord), opgevolgd door Willehad en later Liudger laten in deze regionen hun sporen achter. Met name Liudger predikt in Hunsingo en Fivelingo het christendom. Liudger sticht verscheidene kerken in dit - ondertussen - dichtbevolkte gebied, voordat hij de eerste bisschop van Münster wordt.
![]() |
| Stitswerd, afgegraven wierde met kerkje |
Omstreeks 1000 liggen in het Hoogeland een groot aantal dorpswierden, bestaande uit een kerkje in het midden en enkele boerderijen eromheen. Rond de wierde liggen kleinere huiswierden. Uit de kerkepaden die tussen de dorpswierde en de boerderijen lopen, blijkt dat de bewoners van deze wierden deel uit maken van de dorpsgemeenschap. Onderling zijn de dorpen gescheiden door bredere wateren, gegraven sloten en maren.
