Hoe kwam het betrekkelijk geïsoleerde Groningen aan een kunststroming, een stijl, die zich niet alleen kan meten met het beste van het NoordEuropese Expressionisme? Dat komt omdat Jan Wiegers in 1920 in de trein stapte en in Davos kennismaakte met de Duitse kunstenaar Ernst Ludwig Kirchner. Een reis naar de bergen naar de bron van het Groninger Expressionisme.
Gretig keken de jonge schilders uit het Groningen rond 1918 uit naar nieuwe impulsen. De kunstwereld werd gedomineerd door de vaders van de schilderkunst: Otto Eerelman, Jozef Israëls en H.W. Mesdag, schilders waar we nu bewonderend naar kijken, maar die toen, naar de smaak van de nieuwe generatie, al te zeer het kunstklimaat in de stad bepaalden. Buiten Nederland werd geëxperimenteerd met het Franse expressionisme, met het Vlaamse pointillisme, het kubisme en luminisme. En de vroege exposities met het werk van Van Gogh opende menige Minervastudent de ogen. Dus kwamen enkele jonge Groningse kunstenaars bij elkaar en richtten een kunstkring onder Groninger artisten op die alras De Groninger Kunstkring De Ploeg werd genoemd. De reacties op eerste tentoonstelling van deze jonge honden in het gebouw van het Kunstlievend Genootschap Pictura werd welwillend ontvangen. Jan Jordens werd als een echte modernicus beschouwd, maar Jan Wiegers als de meest moderne Groningse schilder.
Daarbij zou het misschien wel zijn gebleven als Ploeglid Jan Wiegers niet vanwege zijn gezondheid naar Davos had gemoeten, waar hij bevriend raakte met de Duitse expressionist Ernst Ludwig Kirchner. Een jaar later keerde Wiegers uit Zwitserland naar Groningen terug, met in zijn koffer een stijl van schilderen die voortaan het beeld van De Ploeg zou bepalen. Je zou kunnen zeggen: de bron van het Groninger Expressionisme was een ijsparadijs.
Wat gebeurde daar in Davos? Wie tijdens wintersportvakanties wel eens de moeite heeft genomen uit de auto te stappen, de skilatten links te laten liggen en te voet de besneeuwde hellingen van ZuidDuitsland, Oostenrijk of Zwitserland te beklimmen, zal het opvallen hoe anders de wereld er uitziet. Hoe zonlicht er langs de hellingen strijkt en de kleur wit ineens rose en paars blijkt te zijn, hoe groenzwarte sparrenkruinen een rode schaduw werpen, waar de horizon per definitie scheef staat en paden en wegen zigzaggend omhoog en omlaag trekken. Kortom, de besneeuwde bergwereld van MiddenEuropa is een voortdurend veranderend expressionistisch schilderij. De schilders hoefden er maar te wonen, om zich heen te kijken en te schilderen wat ze zagen en het geel en groen, het bloedrood en sparrenblauw spatte van hun landschappen af.
Dat was wat Jan Wiegers ontdekte toen hij het werk van Ernst Ludwig Kirchner zag. Want Kirchner was een van de weinige schilders die in zo'n bergwereld woonden, die er een huis hadden op de sneeuwhelling van de alpen rond Davos. Kirchner hoefde maar uit het raam van zijn huis In den Lärchen te kijken, naar hoe de kleuren in het dal veranderden, of op de helling als s morgens het rose zonlicht de blauwe schaduwen verschuift of in de namiddag als het herfstrode licht paarse vlekken tovert en groene schaduwen werpt. In precies de complementaire kleuren waar Goethe het in zijn kleurenleer over had gehad en wat door Van Gogh in praktijk werd gebracht. Waarbij Kirchner ontdekte dat dat precies de kleurencombinaties uit de werkelijkheid rond zijn huis waren. Bovendien was er vandaag zon prachtige ondergang van de maan, schreef hij in januari 1919, op roze wolkjes de gele maan, de bergen zuiver diepblauw, werkelijk heerlijk, ik had het zo graag geschilderd. Maar het was koud, zelfs mijn raam was bevroren, hoewel ik de hele nacht gestookt heb. Dat weerhield hem er niet van overdag in de naburige bergbeek te springen, Kirchner en zijn naakte modellen, joelend en gillend over de alm.
Dat was wat Jan Wiegers daar vond. En meer dan dat. Los van de Zwitserse kleurbetovering, was daar de beweging. De kern van het oeuvre van Kirchner heeft te maken met beweging. Van het toenemende verkeer in die tijd, de snelheid van treinen, de nerveuze bewegingen van de massa in de stad, maar vooral van de dans. Niet de Weense of Engelse wals, maar de primitieve beweging van volksdansen of zon woest verschijnsel als de jitterbuggy uit Amerika. Het was de beweging van de dans die hem dwong sneller te schilderen, steeds sneller en schetsmatiger en dynamischer, ook als er stilstaande onderwerpen getekend of geschilderd werden.
In zijn huis stond een koffergrammofoon. Dan gaf Kirchner weer eens een ruk aan de slinger en dan klonk er muziek. Dansmuziek. Dan stampten de plaatselijke bewoners die muziek alleen maar kenden van hun eigen accordeon of klarinet opgewonden in het atelier rond, tot groot plezier van Kirchner, die genoot van wat hij zag als het loskomen van een soort primitieve energie bij deze doorgaans nogal gesloten mensen. Deze natuurkinderen worden door muziek als het ware in een roes gebracht, schrijft Kirchner in januari 1920. Voor de broodnodige danssessies die hij vastlegde, poseerde ook zijn vaste model Nina Hard die poedelnaakt op de planken van zijn atelier rondsprong. Het ging Kirchner daarbij niet zozeer om de directe lichaamsvorm, zoals bij de danseressen in de nachtclubs van Berlijn vroeger, maar om de navorm te vangen, zoals hij het noemde.
Daar kwam nog iets bij. De primitieve vormen waarmee hij de personages op zijn taferelen weergaf, waren geïnspireerd op zijn grote verzameling maskers en voorouderbeelden uit exotische landen. Hij maakte ze ook zelf, springende vrouwen van hout. Die stonden dan tegen de wanden van zijn atelier die waren behangen met kleurige lappen en draperieën. Als je naar een muur van zijn atelier keek, leek het of je naar een Kirchnerschilderij keek, hoe de werkelijkheid van dat atelier zich oploste in een geschilderde wereld vol kleurvlakken en de scherpe vormen, afkomstig van Afrikaanse beelden. In die wereld was Jan Wiegers een tijdje thuis. Ze schilderden elkaar ook, Ernst Ludwig Kirchner en Jan Wiegers. En de schilderijen van Wiegers begonnen meer en meer op die van Kirchner te lijken. Dezelfde kleurstelling, dezelfde heftige beweging, dezelfde primitieve vormen. Kortom, de stijl van het Groninger Expressionisme dat in de geschiedenis van de Groninger schilderkunst de krachtigste impuls gaf in het experiment van kleur, dynamiek en vorm. Dat was wat Jan Wiegers mee naar huis bracht. Dat is wat we in de beste werken van de belangrijkste Ploegkunstenaars terugzien. Het kleurige ijsparadijs geprojecteerd op het Hogeland, op het Reitdiep, de Drentse dreven, het Paterswoldse Meer, het landschap van de stad Groningen, in de portretten van de Groningers. Dat is het geheim van De Ploeg.