standards:
xhtml  css

Venhoes

Een eenkamer-woning uit ± 1790, waar later een groter huis tegenaan werd gebouwd. Ingericht als daglonerswoning begin 1800.

In 1969 overleed Jantje Venhuizen. Zij was 84 jaar en nog geboren in het oude eenkamer-huisje dat nu naar haar genoemd is: 't Venhoes. In 1854 werd het gekocht door haar grootouders: Jan Gerrits Wierts en zijn vrouw Hiske Meints "eene behuizinge geteekend numero 52b, met de beklemming van diens erf, tuin en appelhof". Ze kopen het van Eisse Geerts Veldman en zijn vrouw Pieterke Hendriks Groendijk, die het zo'n 30 jaar in hun bezit hadden gehad.

Jan Wierts of ook wel Wiers geheten en Hiske Meints waren beide dagloners. Ze kregen twee dochters: Hilje en Elizabeth. Hilje overleed toen ze elf was en haar moeder toen ze 45 was. Elizabeth trouwt  met Evert Venhuizen, die met zijn moeder bij zijn vrouw en schoonvader intrekt. Ook zijn staan in het bevolkingsregister ingeschreven als daglooner en dagloonster. Ze krijgen drie kinderen, waarvan er twee stierven: hun eerste kind Jan werd drie en Janette, hun tweede kind stierf toen 26 was. Alleen Jantje, hun jongste dochter, geboren in 1885, overleefde haar ouders. Zij was "arbeidster" volgens het bevolkingsregister. Jantje Venhuizen trouwde niet en bleef bij haar ouders wonen . Volgens de dorpsbewoners leidde ze na de dood van haar moeder in 1937 een zeer teruggetrokken bestaan. Dat blijkt ook uit de het bericht dat in het Nieuwsblad voor de Eemsmond verscheen toen zij overleed: de kop van het bericht luidde "Mensenschuw vrouwtje zou rijk geweest zijn".

Het huis waar zij woonden zal een klein boerderijtje geweest zijn: een uit een kamer bestaand voorhuis met een schuur. Het huis stond met de schuur aan de weg. In 1896 laat Evert Venhuizen de schuur afbreken en op die plaats een nieuwe woning bouwen. Het oude voorhuis wordt daarna schuurtje.

Man en vrouw werkten 's zomers als landarbeider bij de boer. In de winter probeerde men op andere wijze aan de kost te komen, bijvoorbeeld met weven.

In de inloopkast tussen beide bedsteden staan diverse aardewerkkommen en schalen die gebruikt werden bij de zuivelbereiding. De hoge Keulse pot met de houten stok (pols) is een karn. Hierin werd boter gekarnd. De boter was afkomstig van de melk van een eigen geit, evenals de kaas, die in geraspte vorm op het (rogge-) brood werd gegeten.

Boven de Groninger volschouw, zo genoemd vanwege het feit dat er alleen beschilderde en geen witte tegels in verwerkt zijn, hangt een verstelbare zaaghaal. Hieraan hing men de pannen en ketels om in te koken.