Uit 1768 daterend gasthuis bestemd voor armlastige vrouwen. Het is afkomstig uit de stad Groningen en in 1968 op het museumterrein herbouwd. Inrichting: rond 1800.
Het Vrouw Fransens Gasthuis is een van de panden die in Warffum herbouwd zijn. Het stond oorspronkelijk in Groningen, Battengang 23, tussen de Steentilstraat en de Rademarkt.
Een gasthuis is een bejaardentehuis. Er waren in Groningen ooit zo'n 20 gasthuizen, waaronder 3 grote, met tussen de 50 en 80 bewoners en verder kleinere, waar 4 tot 10 personen konden wonen en waartoe het Vrouw Fransens Gasthuis behoorde.

Dit gasthuis werd gesticht door Geertruijt Fransen, echtgenote van de hopman (kapitein van het vendel van de burgerwacht) Rudolphus Fransen en eerder weduwe van Geert Schilt van Oldenburg, eveneens hopman. Van Geertruijt Fransen is verder niets bekend dan dat ze behoorde tot de gegoede burgerij van Groningen, waarschijnlijk drie kinderen uit haar eerste huwelijk had en tussen 1631 en 1647 huwde met Rudolphus Fransen.
In 1668 laat ze haar testament opmaken, waarin ze bepaalt, dat de achter haar woning liggende "camers" voortaan zullen dienen voor de huisvesting van "...vijff oft ses oude wijven, nadat de opcomsten konnen dragen". Het echtpaar Fransen woonde toen op de hoek van de Steentilstraat en de Battengang. Achter dit huis - aan de Battengang - lagen zeven "camers", dwz eenkamer-woningen, waarvan volgens het testament de twee of drie laatste, worden bestemd tot gasthuis. De "opcomsten", waaruit de aan te stellen voogden het gasthuis moeten financieren, bestaan uit de huuropbrengst van de overige huizen aan de Battengang en uit de verpachting van enige landerijen te Uitwierde en Haren. Na de dood van Geertruijt Fransen wordt ook haar huis, door de voogden conventshuis genoemd, verhuurd.
In het testament is ten aanzien van de verhuring van het conventshuis nog bepaald "...dat de vier schilderijen, van haer en haer verstorven man, soon ende dochter, die daer tegenwoordich in haer huijs zijn hangende tot eene eeuwige memorie daer ter plaatse sullen blijven hangen,..." We haden deze schilderijen natuurlijk graag in Warffum in het herbouwde gasthuis gehad, maar hun verblijfplaats, als ze tenminste nog bestaan, is onbekend.
In 1899 gaven de toenmalige voogden het archief van het gasthuis in bruikleen aan het Rijksarchief in Groningen. Het was maar een kleine bundeltje papier wat zij brachten, de rest was door vocht verloren gegaan, zo meldden zij, maar dankzij deze papieren weten we toch iets van wat zich in het gasthuis heeft afgespeeld. Zo zijn er verscheidene verzoekschriften van vrouwen die in het gasthuis opgenomen willen worden of financiële ondersteuning wensen. Bijvoorbeed Barbara Dames, wed. Kerwijck, verzoekt in 1724 Burgemeester en Raad of zij de voogden toestemming willen geven haar "...wekelijks enige onderstand te verlenen" en haar bij de dood van een der bewoonsters in het gasthuis op te nemen. Zij schrijft dat zij 70 jaar oud is en door het overlijden van haar man en zoon tot armoede is vervallen. Om haar verzoek kracht bij te zetten, meldt ze nog dat zij een halve nicht is van wijlen Geertruijt Fransen.
In een ander verzoekschrift uit 1750 vragen de voogden B en R toestemming om Henriette van Clinkern in het gasthuis te mogen opnemen. Zij is 30 jaar oud, wat eigenlijk te jong is, maar zij is volgens de voogden "...zeer gebrekkig en Ellendig van Lichaamsgestalte." Henriette van Clinken zal het gasthuis, zodra zij toestemming krijgt er in te trekken, 500 Caroligulden schenken en verder zal zij bij haar dood haar bezit aan het gasthuis nalaten. (Het was de normale gang van zaken dat de bezittingen van de bewoonsters na hun dood aan het gasthuis vielen. Uit de verzoeken om opname blijkt echter dat een aantal vrouwen een overeenkomst met de voogdij aangaan door bijvoorbeeld een zeker bedrag ineens te schenken op voorwaarde dat hun overige bezit na hun dood aan de erfgenamen komt.) De voogden willen Henriette van Clinken graag opnemen, temeer daar, zoals zij schrijven, het gasthuis "... in een zeer lage en bekrompenen stand is".
Deze financiële moeilijkheden komen ook aan de orde in een aantal stukken betreffende de betaling van "haardstedegeld", een belasting op onroerend goed. Zoals gezegd verhuurden de voogden de andere kamers aan de Battengang, maar veel levert dat blijkbaar niet op. In 1751 sturen zij een request naar de Staten van Stad en Lande om verschoond te blijven van het betalen van haardstedegeld. Zij zeggen tot nog toe nooit te hebben hoeven betalen en "Dat ook boven dien door Ouderdom de gemelte Kamers grotelijks gedevaliseert, Bouwvallig en met veel kosten om bewoonbaar te sijn moeten onderhouden werden..." Op 2 februari 1752 brengen de bode Aikema en de raadsdienaar D. Hazelhoff een bezoek aan de boekhouder van het gasthuis, ltn. C. Smit, om het geld te innen. Maar ze moeten melden dat er niets te halen valt: "De Voornoemde Boekhouder verklaarde van dese verhuirde Camers weinig Revonij te trekken angesien hij Dikwerf met Beddestro betaalt wijrt, dieswegen geen meubelgoet bevonden waar uit de bode Aikema Rationi Affici betaling kan Erlangen ..."
Later gaan de voogden over tot de verkoop van de verschillende panden. Het conventshuis werd al in 1736 verkocht, in 1760 wordt een woning aan de Battengang tegenover het gasthuis verkocht en in 1792 nog eens vijf woningen aan de Battengang. In ieder geval was er in 1768 genoeg geld zodat het gasthuis "gerenoveert" kon worden, zoals op de gevelsteen staat. Daarbij moeten we niet aan het huidige renoveren denken: de tot gasthuis bestemde kamers werden afgebroken er werd een geheel nieuw gasthuis gebouwd. Ter gelegenheid van dat feit werd een flinke gevelsteen boven de voordeur aangebracht, met daarop de namen van de voogden die deze renovatie tot stand hadden gebracht.
Het gasthuis bestaat dan uit twee kamers, met elk twee bedsteden en een haardplaats, gescheiden door een gang. De achterdeur kwam uit op een klein plaatsje, waar mogelijk de put of regenbak en het huuske voor de ton was.
Het gasthuis is tot 1939 als zodanig in gebruik geweest, toen werd het verkocht en was het tot 1968 in gebruik als opslagruimte.
Hoewel zwaar vervallen, was het huis qua indeling nog geheel intact. Op de zolder werden de oorspronkelijke ramen nog teruggevonden en gedeelten van de bedstedewanden. De schouwbetimmeringen waren echter verdwenen.