In de Kosterij is te zien hoe een woning van de betere stand er uit zag. Luxer wonen rond 1900 betekende een inrichting waarin veel zware meubels stonden, waar drie gordijnen over elkaar hingen en men overal kleedjes onder en over legde. Grote planten sierden de kamer. De verzorging van de planten was een van de taken van de vrouw des huizes, evenals het regelen van maaltijden (alleen de puddinkjes maakte zij zelf), het theezetten en schenken en de kleine afwasjes aan tafel.
In de woonkamer is het theetafereeltje uitgebeeld: op de met koper beslagen theestoof staat een waterketel, waarin steeds warm water klaarstond om bij te schenken in het kleine trekpotje. De thee werd in kleine kopjes van chinees porselein geserveerd.