Rond 1900 ademde een dorp een andere sfeer uit dan nu, honderd jaar later. Er was veel bedrijvigheid in de kleine werkplaatsjes van onder andere de smid, de timmerman en de schilder.
De schilder maakte in zijn werkplaats zelf de verf. In grote ladenkasten zat in elke la poeder in een bepaalde kleur (pigment). Wanneer de schilder verf nodig had, mengde hij het pigment met lijnolie en nam de verf daarna mee naar de klant.
De schilders leerden hun vak op de schildersschool. Om huis- en fijnschilder te worden, kreeg de leerling-schilder onderwijs in diverse technieken. Veel van die technieken horen nu meer thuis bij het beroep van grafisch ontwerper. De schilder bracht bijvoorbeeld sierlijke teksten aan op uithangborden bij bedrijfjes of op tolborden bij bruggen. Een andere techniek die de schilder beheerste was het sjabloneren. Bewoners van grotere huizen en boerderijen wilden graag geschilderde motieven op hun plafonds of muren. Met sjablonen werden die door de schilder op de plek aangebracht. Verder was hij een kunstenaar in het namaken van duurdere houtsoorten. Kasten, wanden, deuren en beddenschotten werden door hem met kwasten en kammen zo geverfd dat het op prachtig eikenhout leek. Op vurenhouten kastdeuren werden soms mozaïeken van verschillende houtsoorten geïmiteerd, waardoor de kast een waardevol meubel leek.