Eten was rond 1900 nauwelijks een gezellige aangelegenheid. Midden op de met een zwilkje (zeiltje) bedekte tafel stond een grote schaal met aardappelen, waaruit ieder met een vork een aardappel prikte die men daarna in de stip (jus of vet) dompelde. Op een apart houten bordje kreeg men er een stukje spek erbij. Na het eten werden de bordjes afgeboend en weer in het bordenrek gezet.
Het maakte niet uit of men boer, eenvoudig burger of arbeider was, iedereen had een vrij vast eetpatroon. De keuze aan groente was veel kleiner dan tegenwoordig en bijna alle groente werd in een stamppot verwerkt. Vijf ā zes keer per week stond er stamppot op tafel en ook daarin hield men een vaste volgorde aan. Zo kon het dat een boerendochter die bij een vriendin mocht blijven eten, ontstemd thuiskwam met de mededeling sniebonen op vrijdag, wat een verstand. Op vrijdag hoorde men immers bruine bonen te eten!
Na de maaltijd werd elke dag karnemelksepap (zoepenbrij) gegeten. Deze pap werd gemaakt van gort. De gort werd een tijdje in de week gezet, er ging een beetje zout over en tenslotte werd de pap overgoten met warme of koude melk.
De broodmaaltijd bestond meestal uit roggebrood met geraspte kaas. De kaas werd uit zuinigheid geraspt omdat er dan minder van nodig was om een boterham te beleggen.
Na de eeuwwisseling werd het steeds meer gebruikelijk dat men van aardewerken borden ging eten.
Aardappelen en groente verbouwde men in het eigen tuintje. Een groot deel van de groente werd ingemaakt voor de winter, zoals witte kool die in Keulse potten tot zuurkool werd ingemaakt. Met de grote koolschaaf werd de witte kool gesneden. Snijbonen gingen door het snijbonenmolentje, dat met een klemschroef aan de tafel werd vastgezet. De koolschaaf en het snijbonenmolentje waren evenals de kaasrasp een onontbeerlijk onderdeel in het Groningse huishouden.
In de loop van de 19e eeuw veranderde de manier waarop het eten werd gekookt. Die ontwikkeling is goed te zien in de keukens van de verschillende huisjes in het museum. In het Venhoes, de 19e-eeuwse daglonerswoning werd op een open vuur gekookt. Aan een ijzeren haal die aan een dwarsbalk in de schoorsteen hing, werden de grote smeedijzeren pannen en ketels boven het vuur gehangen.
Toen in de tweede helft van de 19e eeuw petroleum op de markt kwam, ging men over tot koken op de zo kenmerkende petroleumstelletjes. Op een tafeltje in de keuken stonden stelletjes in diverse maten; de petroleumkan stond onder tafel om zo nodig de stelletjes bij te vullen. De kookkachels, die aan het eind van de 19e eeuw in gebruik kwamen, werden op turf gestookt. In het Huis Markus werd op een kachel gekookt.
De kachel diende trouwens niet alleen voor het koken, maar ook als verwarming.