Derk Meyer was landbouwer en hij verhuurde beide helften. Dat deden ook de latere eigenaars. De bewoners waren meestal dagloners. In 1923 werd het huis gekocht door Comprecht van der Hal en zijn vrouw Geertje Hoogstraal, die er zelf gingen wonen. De andere helft verhuurden ze aan Geertje's broer en zuster, Comprecht en Kaatje Hoogstraal. De Van der Hals en de Hoogstraals waren joods, nazaten van eind 18e eeuw naar Nederland gekomen Duitse joden.
Omstreeks 1920 telde de joodse bevolking van Warffum zo'n 40 personen, die behoorden tot de Israelitische gemeente van Winsum; hier stond sinds 1878 een synagoge en er was een joodse begraafplaats. Ook in Uithuizen was een synagoge. Maar in Warffum streefde men naar een eigen gemeente en een eigen begraafplaats. Comprecht van der Hal, die in 1854 in Warffum was geboren, heeft daar zijn bijdrage aan geleverd. In 1885 kopen Jakob van Dam, Heiman van Dam, Abraham van Geuns, Bernard van Hessen, Jozef van der Hal, Levie van der Hal, Comprecht van der Hal en Jakob Vissel gezamenlijk van de Hervormde Kerk een stuk grond achter de nieuwe begraafplaats in Warffum. In de koopakte staat:"... dat het gekochte zal dienen tot begraafplaats der op te richten Israelitische gemeente in Warffum."
Van een synagoge was in Warffum geen sprake, maar een zgn "huissjoel" behoorde wel tot de mogelijkheden. Een huissjoel is namelijk niets anders dan iemands huiskamer of een gehuurde schuur, waar men bijeenkwam om godsdienstoefeningen te houden. Maar rond 1900 beschikte men in Warffum een tijdlang over een ruimte die enige overeenkomst vertoonde met een synagoge en ook de indruk maakt als zodagig gebouwd te zijn geweest. Het huis Pastorieweg 30 bezat - voor het enige jaren geleden verbouwd werd - wat men een "splitlevel" zou kunnen noemen: het voorste gedeelte bestond uit een kamer op de begane grond met een zolder erboven en in het achterste gedeelte waren keuken en kelder in een souterrain, waardoor men daarboven een ruim en hoog zaaltje overhield. Aan een zijde was een galerij voor de vrouwen. Rabbi was Philip van Dam, die een manufacturenzaak in Warffum had. Het huis werd verder normaal bewoond.
Comprecht van der Hal was slager van beroep en zijn zwager borstelmaker/koopman. Van der Hal was 69 toen hij 't Hörnhoes kocht, maar hij ging nog niet met pensioen: in de tuin achter het huis liet hij een "slachtlokaal" bouwen, dat hij enkele jaren later uitbreidde met een verkooplokaal. Pas in 1931, Van der Hal is dan 77 en zijn vrouw en haar zuster zijn inmiddels overleden, doet hij de slagerij over aan zijn zoon Salomon. Comprecht van der Hal vertrekt dan met zijn zwager naar familie in Oude Pekela, waar hij in 1935 overlijdt. Hij werd begraven bij zijn vrouw op de joodse begraafplaats in Warffum. Salomon Hartog van der Hal was in 1933 getrouwd met Salma van Dam en zij kregen drie kinderen: Comprecht, Rosa en Victor Sallie.
Omstreeks 1935 telde Warffum tenminste drie joodse slagers naast de nodige "gewone" slagers. Gezien het aantal joodse inwoners in die tijd (ongeveer 30), is het wel duidelijk dat zij niet alleen afhankelijk waren van joodse klanten. De joodse slager had van oudsher een goede naam: de klant hoefde niet bang te zijn voor vlees van zieke of gestorven dieren, want er werd geslacht onder toezicht van de rabbi en die kon dergelijk vlees niet koosjer verklaren.
"Kom er mor ien, as gain jeud bist" was een aardigheidje dat menige joodse middenstander wel eens hoorde wanneer hij bij de deur kwam met zijn bestelling. De joodse bevolking was welliswaar geaccepteerd, maar dergelijke aardigheden en de vele gezegden waarin joden niet al te plezierig overkomen, hebben zij op de koop toe moet nemen. In 1942 werd de joodse bevolking van Warffum door de Duitse bezetter naar het concentratiekamp in Westerbork gevoerd en vandaar naar de vernietigingskampen in Duitsland en Polen. Van de dertig mannen, vrouwen en kinderen uit Warffum overleefden er twee de oorlog.
Ook de familie Van der Hal ging naar Westerbork. In het Warffumer bevolkingsregister heeft men de term "verhuizen" gebruikt: "Salomon van der Hal 31-12-'42 verhuisd naar Westerbork". Salomon van der Hal werd omgebracht 18 augustus 1942 te Auschwitz, mannenkamp Birkenau. Salma van Dam werd omgebracht 16 juli 1943 te Sobibor in Polen. Comprecht en Rosa werden omgebracht op dezelfde dag als hun moeder te Sobibor. Victor Sallie was reeds op 31 mei te Westerbork overleden.
Hun huis werd tijdens de oorlog verhuurd en in 1949, door de erven van de Van der Hal's verkocht aan Jerinus Rozema, die van 1950 tot 1974 in de voormalige slagerij een viswinkel had.