In bijna elke huishouding was een linnenkast, meer of minder gevuld, aanwezig. Een vaste plaats was er niet voor de linnenkast; in het ene huis stond hij in de kamer, in het andere in de keuken of gang. In een goede linnenkast lagen de linnen hemden keurig in stapeltjes.Een groot gedeelte van deze hemden lag er om bewaard te worden en werd nauwelijks gebruikt In de eetkamer van de Kosterij staat een kabinet dat dienst deed als linnenkast.
Tot 1900 was de kleding vooral functioneel en weinig modieus. Vrouwen droegen lange, dikke rokken, vaak meerdere over elkaar. Op de rok droegen ze een jak, dat eind 19e eeuw vervangen werd door een blouse. Zowel vrouwen als meisjes hadden tot ongeveer 1920 bijna altijd een schort aan. Er werd wel een onderscheid gemaakt tussen een werkschort en de nette schort, die de vrouwen s'middags droegen.
Het ging er in de 19e eeuw vooral om dat kleding lang mee ging en niet te snel sleet, dus koos men degelijke stof uit.Over het algemeen had men weinig kleren en er werd nog nauwelijks onderscheid gemaakt tussen kleren die men in de zomer of in de winter droeg. Toen de naaimachine op de markt kwam, was dat voor veel mensen een mogelijkheid om eenvoudig en snel kleren te maken. Vervolgens maakte de opkomst van de confectiemode het kopen van kleding betaalbaar en kwam de kant en klare kleding binnen het bereik van de gewone man.
Een huishoudelijke bezigheid die minstens zo'n vast stramien als het eten kende, was de wekelijkse was op maandag en daar week men op het platteland dan ook niet van af. Op zondag werd de was in de kookpot in de soda geweekt. Het witgoed werd na het wassen op het bleekveldje, een vaak keurig onderhouden grasveldje, gelegd, omdat het zonlicht op het witgoed een blekende werking had. Na het bleken werd de was opnieuw in de kookpot in water en sunlightzeep gekookt. Het sop werd vervolgens voor de bonte was gebruikt. De was hield men in beweging met wasstampers van koper of hout.