Op het Hogeland woonden in de negentiende eeuw gemiddeld ongeveer 40.000 mensen. Meer dan de helft daarvan was direct of indirect betrokken bij de landbouw. Vanuit de dorpen trokken van maart tot november de losse arbeiders naar de boerderijen, waar zij met soms wel dertig man aan het werk waren. Met de mannen trokken ook veel vrouwen en kinderen naar het land. Zij werden vaak in koppelarbeid aangenomen om tijdens de grootste drukte in het seizoen mee te werken.
In de wintermaanden was er echter nauwelijks wat te verdienen op de boerderijen en zaten veel dagloners zonder werk thuis. Een aantal van hen vond in de winter nog wat werk in de vlasbewerking. Dit landbouwgewas werd met name in Noord-Groningen verbouwd en gaf in tegenstelling met bijvoorbeeld Oost-Groningen wat extra werkgelegenheid in de moeilijke wintermaanden.
De daglonersgezinnen woonden in kleine arbeidershuisjes. Deze woningen bestonden uit één kamer, waarin het hele dagelijks leven plaatsvond: er werd gekookt, gegeten en geslapen. Het Venhoes is een dergelijke eenkamerwoning.