In de Middeleeuwen was het eiland ("oog") in het bezit van het Benedictijner klooster te Rottum (tussen Usquert en Kantens) en het Praemonstratenzer klooster in de Marne. Er waren goede weidegronden, welke verpacht werden. In 1575 vestigde Barthold Entens van Mentheda, de "beruchte" watergeus, zich wederrechtelijk op het eiland. Hij sneuvelde in 1580 voor de wallen van Groningen, toen hij een poging deed de stad op de Spaans gezinde Rennenberg terug te veroveren.
De kloosterdommen kwamen bij de definitieve overgang naar het protestantisme aan de Staten van Stad en Lande, die het eiland eerst verpachtten. In 1659 verkochten de Staten het eiland. Opeeenvolgende eigenaren waren:
Deze laatste verkocht het eiland in 1707 aan de Ierse graaf Donough de Clancarty, die om gelofsredenen uit zijn vaderland was verbannen. De graaf zou volgens de geruchten, een "los" leven leiden, maar veel zal er wel niet waar zijn van de verhalen over harems en wilde feesten.
In 1730 verkocht de graaf het eiland aan Pieter Pivé, die het in 1738, nadat zware stormvloeden de westzijde hadden geteisterd, voor een zacht prijsje overdeed aan de Staten van Stad en Lande. In 1798 onder de Bataafse Republiek wordt het eiland nationaal eigendom, echter onder toezicht van het departementaal bestuur van de Eems (Groningen en Oost-Friesland).
Na de Franse tijd blijft het Rijk eigenaar van het eiland. Vanaf 1738 wordt het dagelijks beheer uitgevoerd door voogden, die op het eiland woonden.
1738-1741 Jan Wijbrands
1741-1764 Tjarko Ebels
1764-1782 Jochum Voye
1782-1802 Klaas Jacobs (van Dijk)
1802-1834 Guitje Klaassen van Dijk
1834-1865 Klaas Guitjes van Dijk
1865-1908 Guitje Klaassen van Dijk
1908-1936 Hendrik Toxopeus
1936-1965 Jan Toxopeus
