De verkoop van kleine goederen (knopen, garen, elastiek ed.) was meestal in handen van marskramers, in het Gronings kiepkeerln. Zij gingen met hun waar over de onverharde wegen van dorp naar dorp en van boerderij naar boerderij. In hun mars of kiep, een kist met laatjes, droegen ze de kleine galanterieën op hun rug.
Behalve de marskramers waren er ook ambulante handelaren die met een woonwagen over het Hogeland trokken. Ze kregen van de gemeente voor een paar dagen een terreintje toegewezen aan de rand van het dorp. Vervolgens gingen ze langs de huizen om te vragen of er stoelen te matten waren of scharen te slijpen. In het boomgaardje van het museum staat een woonwagen uit de jaren twintig, waarmee door de provincie werd getrokken.