Altijd al zijn er marskramers geweest die met hun handelswaar op hun rug door het land trokken, langs dorpen en veraf gelegen boerderijen. Men overnachtte in herbergen of boerenschuren of gewoon in de open lucht. In het noorden van het land, waar veel waterwegen zijn, trokken mensen ook per schip van dorp naar dorp. Bekend zijn de potschepen, die met allerhande gebruiksaardewerk voeren.
Tussen 1870 en 1880 kwamen er voor het eerst woonwagens op de weg. Onder de regering van Koning Willem I werden de wegen die de provincie-hoofdsteden verbonden verhard met klinkers, puin of grind. Na 1850 werd begonnen aan de secundaire wegen. Vóór die tijd waren er teveel paarden nodig om een woonwagen te trekken. De ambulante handelaren verkochten van alles: borstels, manden, galanterieën, kunstbloemen en paarden zijn wel de bekendste waar. Ook slepen zij messen, matten zij stoelen en repareerden zij paraplus.

Hoewel alle reizende kooplui door de bevolking als verdacht werden beschouwd en door de overheid bij de landlopers en bedelaars werden ingedeeld, deden zij toch over het algemeen goede zaken. Tot ver in de 19e eeuw waren er weinig winkels in de dorpen en men was daarom voor veel artikelen aangewezen op de kiepkerel. Hun koopwaar was over het algemeen ook minder duur.
Onder galanterieën verstaat men snuisterijen zoals halskettingen en broches en verder garen, naalden, band, knopen, elastiek, karnemelkzeep, kachelpoets, schoenpoets, scheermessen, kammen, zakdoeken, zemen, pleisters en tandenborstels. Allemaal keurig ondergebracht in de verschillende laden van de kiep, een houten kastje dat met banden of leren riemen op de rug gedragen werd.
