Bij het dorp Pieterburen denkt u hoogstwaarschijnlijk eerst aan zeehonden. Maar Pieterburen is meer dan een dorp aan zee, het is een dorp met en rijke geschiedenis.
De weg erheen droeg de naam Esschenweg, maar werd door de omwonenden wegens de als spookachtig ervaren omgeving vaak de heksenweg genoemd. Het Huis ten Dijke of Dijksterhuis tien minuten lopen vanaf Pieterburen is het meest noordelijke versterkte huis van ons land. Regelmatig moesten de bewoners, verschanst in de versterkte toren zich weren tegen piraten en andere zeeschuimers. In de 17e eeuw kwam de borg in het bezit van de familie Alberda, later zou blijken dat zij het laatste geslacht waren op het Huis ten Dijke. Gerard Alberda die in 1721 de borg in zijn bezit krijgt heeft bijzonder veel aandacht besteed aan de kerk van Pieterburen; het prachtige houtsnijwerk in het interieur van de kerk maakt een bezoek zeer de moeite waard.
Honderd jaar geleden op 17 december 1902 werd voor het luttele bedrag van fl 2475,- bij opbod de imposante borg Dijksterhuis verkocht. Het torenkamertje de raadskamer, de officierskamer, de knechtenkamer, de stove, de eetkamer, de groene en de gele kamer, het moest allemaal voor 1 september 1903 door de slopershamers vernietigd worden.
De aan Sint-Petrus gewijde kerk is in het begin van de vijftiende eeuw gebouwd. De noorderdwarsarm is omstreeks 1600 toegevoegd. In 1805 bouwde Matthijs Wallis de toren. Daarin hangen twee klokken: een luidklok van Antonius van Utrecht uit 1553 en één uit de afgebroken kerk van Wierhuizen. De windwijzer toont het wapen van de familie Alberda.
De kerk bezit een belangrijk, gaaf interieur. De preekstoel met wapen-Alberda dateert uit ca. 1785, de banken zijn aan het eind van de achttiende eeuw gemaakt. De triomfboog is met snijwerk van Anthonie Wallis gevuld. De herenbank, het loze rugwerk van het orgel (met een uurwerk uit ca. 1700) en de orgelbalustrade zijn ouder, omstreeks 1700 door Allert Meijer vervaardigd en door Jan de Rijk van snijwerk voorzien. De avondmaalstafel is uit het derde kwart van de achttiende eeuw. Het hoofdorgel is in 1901 door F. Leichel gemaakt. Het rugwerk en de kast van het orgel zijn door Arp Schnitger gemaakt. In het koor hangen vijf rouwborden voor bewoners van de borg Dijksterhuis. Onder het koor bevindt zich de grafkelder voor leden van de familie Alberda van Dijksterhuis.
Enige tijd geleden is op het orgelbalkon van de kerk een stoeltje ontdekt door Peter Breukink, directeur van de Stichting Oude Groninger Kerken. Hij liet het stoeltje zien aan een aantal deskundigen. Samen kwamen ze tot de conclusie dat het een oud en zelf mogelijk zeventiende eeuws stoeltje kon zijn. Op de inventarisatielijst van de overdracht van de kerk van Pieterburen aan de Stichting Oude Groninger Kerken uit 1981 werd geen melding gemaakt van een stoeltje. Over hoe het stoeltje in de kerk is beland en of het altijd al tot de inventaris heeft behoord is niet bekend.
Het stoeltje is een variant op het in die periode zeer gangbare Spaanse stoelmodel, maar het is veel eenvoudiger en kleiner van formaat. In de zeventiende eeuw was er een soort hiërarchie in de vormgeving van stoelen. In oude archieven word dan ook melding gemaakt van mannen en vrouwen stoelen. In het huisarchief Nienoord waar melding wordt gemaakt van acht Spaanse stoelen en drie leege (lage) vrouwe stoelen in dezelfde uitvoering.
Het was gebruikelijk in de 17e eeuw om stoelen tegen de wand te plaatsen wanneer ze niet gebruikt weren de achterkant is dan ook meestal niet afgewerkt. Bij dit stoeltje is er echter iets eigenaardigs: in de rugleuning zitten aan de achterzijde twee uitsteeksels waarvan niet bekend is waarvoor ze dienden. Het kan zijn dat de stoel onderdeel is van een serie en dat de uitsteeksels opgenomen in een plank dienden om de stoelen op een rij te houden. Een oplossing voor de uitsteeksels is niet gevonden noch is er een andere stoel bekend met dergelijke uitsteeksels. Waar het stoeltje vandaan komt of wie er op gezeten heeft is tot nu toe onbekend. Zo is een vergeten stoeltje is een bijzondere stoel geworden. Na de restauratie is het stoeltje verhuisd naar Museum de Menkemaborg om daar te stralen tussen ander bijzonder meubilair.
Op de plaats waar vroeger de pastorie stond bevindt zich nu de botanische tuin. De pastorie werd in 1961 gesloopt, het oude vervallen tuinhuisje en het godsdienstgebouwtje wist men te redden van de slopershamer. Pieterburen heeft zijn bijzondere botanische tuin Domies Toen te danken aan Trientje Foketje Clevering, echtgenote van één van de grote herenboeren in het noorden. Na de sloop van de pastorieboerderij lag de tuin er verwaarloosd bij. Mevrouw Clevering pakte de zaak zeer voortvarend aan en beschouwde haar werk dan ook als een cultuurhistorische opdracht.
In het kader van een samenwerkingsproject van de Stichting Oude Groninger Kerken met de Stichting Het Groninger Landschap wordt een omvangrijk project in Pieterburen voorbereid. Door de samenvoeging van een aantal kleinere projecten in en om de bezittingen van beide organisaties is subsidiëring op Europees niveau in zicht gekomen. In dit plan is de kwaliteitsverbetering van de omgeving van de kerk uitgangspunt. De Stichting Oude Groninger Kerken heeft in het kader van dit plan het Godsdienstgebouwtje, gronden grenzend aan het kerkgebouw en Domies Toen overgenomen.