De kerk is aan het eind van de dertiende eeuw gebouwd. In 1849 is zij uitwendig gepleisterd; ook het interieur is toen opnieuw vormgegeven. In de omstreeks 1700 gebouwde dakruiter op de nok van de kerk hangt een in 1615 door Hans Falck van Nueremberg gegoten klok.
De kerk bezit gaaf zeventiende-eeuws meubilair in negentiende-eeuwse opstelling met een bank voor de familie Sickinge uit 1653 en een preekstoel uit 1853. Het orgel was oorspronkelijk een huisorgel van Petrus van Oeckelen; in 1849 is het door dezelfde orgelbouwer tot kerkorgel verbouwd.
Op de hoge kwelderwal aan de oever van de zee ontstond in de late middeleeuwen het dijkdorp Breede. Waarschijnlijk viel de komst van de bewoning op deze plek samen met de aanleg van de oude dijk. De kerk werd gebouwd in het laatst van de veertiende of in het begin van de vijftiende eeuw. Er is hier geen sprake geweest van eerdere kerkbouw, want opgravingen tijdens de restauratie in 1983 -1984 hebben geen vondsten opgeleverd van oudere voorgangers.
De kerk van Breede is een rechtgesloten zaalkerk van bescheiden afmetingen. De oostelijke topgevel heeft zeven spitsbogige spaarvelden, die verlevendigd worden met siermetselwerk. De spaarvelden naast de midden-nis hebben gekoppelde bogen, waarvan de middenstijl op een kraagsteentje rust. De scheiding tussen topgevel en benedenzone wordt aangegeven door een zaagtandlijst en in het onderste deel van de gevel zijn de profielen van twee dichtgezette vensters te zien. Vermoedelijk werden deze vensters gesloten toen de kerk een kansel kreeg. De hoeken worden gemarkeerd door lisenen. De langsmuren zijn eveneens versterkt met lisenen waarvan er twee aan de zuidzijde zijn uitgebreid tot steunberen om verzakking van de kerk aan deze kant tegen te gaan.
Waarschijnlijk nog in de zestiende eeuw werden de spitsboogramen ingebracht, die in de negentiende eeuw werden voorzien van gietijzeren harnassen. We kunnen ons nog een voorstelling maken van de originele vensters met de vormen van de dichtgezette ramen in de koorgevel. De plaats van de zuideringang valt nog te herkennen maar de noorderingang is beter bewaard gebleven. Deze ingang kwam tijdens de restauratie gaaf te voorschijn, maar ze is wel weer dichtgezet. Echter zo dat de uitgemetselde kraagstenen van de boog zichtbaar bleven. Tijdens de restauratie bleek dat de kerk geen fundering had; ongeveer een halve meter onder het maaiveld houdt het metselwerk op.
De westgevel heeft een ingang onder een rondboog. Daarboven bevindt zich een spaarveld en de geveltop is versierd met drie klimmende spitsboog-nissen. Op de westgevel staat sinds het begin van de zeventiende eeuw een dakruitertje, waarin een klok hangt uit 1615 die door Hans Falck van Neurenberg gegoten werd. In de negentiende eeuw kwam er een nieuw uurwerk dat de firma Van Bergen uit Midwolda vervaardigde. De kerk heeft nog een eikenhouten sporenkap en ze wordt gedekt met pannen die vermoedelijk nog uit 1751 dateren. Na de restauratie is de kerk niet opnieuw bepleisterd, omdat de kosten daarvoor te hoog waren. Ze is echter overgewit, zodat de structuur van het metselwerk goed zichtbaar bleef.
Evenals het exterieur is ook het interieur witgepleisterd. In het muurwerk treffen we nog aanzetten aan voor gewelven, maar waarschijnlijk is het gebouw nooit overwelfd geweest. In de negentiende eeuw kwam er in de plaats van de zoldering een gestuukt tongewelf. Aan de oostwand zijn pilasters gemaakt die eindigen in neo-corintische kapitelen. Deze kapitelen vormen een tegenwicht tegen de vrijstaande zuilen die naast het orgel staan en tegen het plafond in kapitelen eindigen.
Het tongewelf is versierd met enkele rozetten. Met deze versieringen, pilasters en kapitelen heeft de kerk een classisistisch aanzien gekregen. Aan de noordwand staat een eikenhouten bank uit de zeventiende eeuw met het wapen van de familie Sickinghe op de overhuiving. Deze familie bezat van 1568 tot in het laatst van de zeventiende eeuw de "Warffumborg" en tussen 1678 en 1705 de "Breedenborg". De kerkenraadbank staat tegen de zuidwand in de koortravee. In 1853 kwam er een nieuwe preekstoel, gemaakt volgens het type dat in de zeventiende eeuw in de provincie veel voorkwam met vrijstaande gewrongen zuiltjes op de hoeken. De avondmaalstafel met marmeren blad dateert uit 1878. De vier messing petroleumlampen zijn dankzij een grondige restauratie bewaard gebleven.
In 1849 leverde de firma van Oeckelen het orgel. Dit instrument stond ooit als kabinetorgel in huize Meerwijck bij Zuidlaren en was toen eigendom van O.Q.J.J. van Swinderen. Om dit huisinstrument tot een end kerkorgel te maken draaide Van Oeckelen de kas een halve slag zodat de speeltafel aan de achterzijde kwam. Voorts voorzag hij het orgel van een passend front, bekroond met het wapen van Jhr. Alberda Menkema tussen twee schilddragende leeuwen. Jhr, Alberda van Menkema was collator van de kerk. Het orgel heeft 12 stemmen verdeeld over twee klavieren en een aangehangen pedaal.