standards:
xhtml  css

Fraeylemaborg (Slochteren)

De Fraeylemaborg in Slochteren is gelegen in een ongeveer 31 hectare groot landgoed, in aanleg hoofdzakelijk daterend uit de 19e eeuw. Het parkbos is in het begin van de 19e eeuw gewijzigd in de romantische Engelse-landschapsstijl. Het tuincomplex wordt gedragen door een lange hoofdas die door de statige oprijlaan extra nadruk krijgt. Op het voorterrein bevindt zich het schathuis waarin een restaurant gevestigd is. Aan de andere zijde staat het koetshuis met paardenstal en orangerie. Verspreid treft men nog een prieel en duiventil aan.

De in de Middeleeuwen als steenhuis gestichte borg groeide uit tot een imponerend gebouw met invloedrijke bewoners. De laatste bewoners, de familie Thomassen à Thuessink van der Hoop van Slochteren, verkochten de borg in 1972 (volgens de Fraeylemaborg, De Ommelander borgen en steenhuizen beweerd 1971) aan de Gerrit van Houten Stichting. Na een omvangrijke restauratie werd de Fraeylemaborg in 1975 als museum geopend. Naast stijlkamers met een vaste inrichting worden andere vertrekken benut voor wisselexposities. In de grote zaal worden concerten en ontvangsten gehouden, terwijl de kleine zaal ook in gebruik is als gemeentelijke trouwzaal.

 

 

Reeds omstreeks 1290 komt in Slochteren een geslacht Hag(g)inga voor, dat een belangrijke rol speelde in de veten van die tijd. Met name zijn bekend Limpo, Elbo en Abbo. Onbekend is waar zij woonden, en of er een verband was met het latere Fraeylema.

 

De Fraylemaheerd wordt voor het eerst genoemd in 1465. Dan staat Ebbe Sluchtinge de helft van deze heerd af aan Aywet en Duirt Alberda in ruil voor landerijen in de buurt van Bierum. Ebbe Sluchtinge, getrouwd met Wije, komt herhaaldelijk voor in de jaren 1446-1479, meestal in de omgeving van Bierum. In 1455 is hij kerkvoogd in Garsthuizen. Het is dus de vraag of hij te Slochteren gewoond heeft; hij bezat trouwens maar de helft van Fraylemaheerd. Ook van een verblijf van Aywet en Duirt Alberda op Fraylema is niets bekend.

 

Terzelfder tijd komt ook een familie Fraylema voor. In de klauwbrief van Oosterwijtwerd van 1464 is sprake van twee heerden te Siboldeweer (Godlinze). Een daarvan heette Lyummenheerd en behoorde aan Remmert to Berum. In het klauwboek (lijst met adellijke heerden en families opgesteld door o.a. Tjassens) Tjassens komt een later afschrift van deze brief voor waarin de heerd Lumme Fraelmaheerd genoemd wordt, toebehorende aan Remmert Fraelma, de zoon van Lumme (zie ook Bierum-Luinge). Een Remmert to Berum komt reeds voor in 1446, Remmert Fraylma pas in 1504. Misschien moeten we dus denken aan grootvader en kleinzoon. Behalve in 1504, wanneer Remmert Fraylema hoofdeling te slochteren genoemd wordt, komt hij geregeld voor van 1511-1527. In 1517 samen met zijn zoon Oesbrant van Slochteren. Deze Osebrand wordt in 1538 vermeld als hoofdeling te Slochteren. Hij bezit dan drie heerden te Bierum. Ook hier dus contact met Bierum. Waarschijnlijk hebben de vier verschillende Fraylemaheerden, te Slochteren, Losdorp, Godlinze en Wittewierum hun naam te danken aan dezelfde familie.

 

Tijdens de oorlogen in het begin van de 16e eeuw wordt het huis te Slochteren enige malen genoemd. In 1500 bezetten de Groningers het en versterkten het, terwijl in 1505 graaf Edzard een blokhuis liet maken aan de oostzijde van de kerk bij het steenhuis aan de weg. In verband met de slappe veengrond was het leggen van bolwerken moeilijk. Deze weg door Duurswold was een belangrijke verkeersweg van de stad Groningen naar Appingedam, Oldambten en Duitsland. Van de bewoners van het huis horen we in deze oorlogen niets.

 

Osebrand Fraylema wordt tot 1540 vermeld. Zijn vrouw heette Ette van Uterstewehr. Zij kregen twee dochters, Reneke en Hillebrand. Ook had Osebrand een natuurlijke zoon  Hilbrant Fraylema ten Post. De beide dochters trouwden respectievelijk met Sweder en Seino Rengers, zoons van Johan Rengers van Oldenhuis en Jutte ten Water. Het huwelijk van Hillebrand met Seino Rengers werd in 1548 gesloten.

 

Daardoor kwam Fraylema aan de familie Rengers, want dit echtpaar verkreeg het huis te Slochteren, de helft door erfenis, de andere helft door koop voor 550 emder gulden. Zij lieten het huis vertimmeren en de grachten graven voor 2180 gulden.

 

Seino Rengers overleed midwinter 1572. De boedel bleef eerst grotendeels ongescheiden. In die periode vonden enige kleine vertimmeringen plaats. Zo werden in de zaal zes nieuwe vensterramen aangebracht met een nieuwe deur en raam 'thot die doere met een luke'. Ook werd, waarschijnlijk omstreeks 1589, het kleine schathuis verkocht.

 

Op den duur kwam Fraylema aan de oudste zoon van Seino Johan, in 1550 geboren, die in 1588 voorkomt als hoofdeling te Slochteren en Kolham. Of hij toen als balling in het buitenland verbleef is niet zeker. Wel was hij in 1580 uitgeweken. In 1594 legde hij de eed van trouw af aan het nieuwe bewind. Zijn vrouw Gela van Laer overleed in 1620; zij is te Schildwolde in de kerk begraven. Haar man voerde processen op de landdag nog in 1617 tegelijk met zijn zoon Seino Hendrik, die ook al in 1616 aanwezig was.

 

Bij de erfscheiding van 1622 verkreeg Seino Hendrik het huis en de borg te Slochteren met schathuis, hoven, singel, geboomten en alle heerlijkheden en gerechtigheden te Slochteren en Kolham en met 12 akkers (48 grazen) land. Seino Hendrik overleed ongehuwd tussen 1633 en 1636.

 

Erfgenaam van het huis werd Osebrand Johan Rengers, een zoon van Seino Hendriks overleden broer Osebrand Rengers en Anna Clant van Ludema, geboren omstreeks 1620. Toen was de rechtstoel nog omgaand (dus tijdelijk in je bezit). Zo kon dus in 1624 Wilhelmus Verrutius als hoofdeling te Slochteren optreden als redger. In 1643 is nog een ommegang in bezit van diens erven. Spoedig daarna werd de rechtstoel staande. Ook het overste schepperschap van het zijlvest der Drie Delfzijlen werd erfelijk aan het huis te Slochteren gehecht. Dan noemt Rengers zich heer op Frailma en Slochteren, in 1649. Voor het eerst wordt dan het huis met de naam Frailma aangeduid.

 

Zoals gezegd was in 1465 wel sprake van een Fraylemaheerd. Ook in 1637 was er nog een Frailmaheerd te Slochteren, die niet bij de borg hoorde. In dat jaar werd deze heerd met rechten en heerlijkheden door Hermannus van Lengerinck verkocht aan Peter Peters. In 1750 probeerde de familie Dorenbos, die toen eigenaresse was, de rechten op deze heerd te laten registreren, maar zij 'desisteerde' daarvan in 1753 en 1754. Welke heerd daarmee bedoeld is, is niet bekend, evenmin de verhouding tot de borg.

 

Osebrand Johan Rengers kreeg tijdens een verblijf te Parijs in 1641 van Lodewijk XIII de benoeming tot riddder in de orde van Saint Michel tegen betaling van 500 gulden. De toelating vond plaats tijdens een mis onder aflegging van een eed van trouw aan de Franse koning.

 

Osebrand Johan Rengers werd voor de machtigste en rijkste jonker in Fivelgo gehouden. Hij trouwde in 1647 met Willem Anna Lewe. In een testament van 1668 maakten zij van hun bezittingen een fideicommis. Daarbij werd de opvolging geregeld waarvoor in eerste plaats de oudste zoon in aanmerking kwam. Deze moest bij de aanvaarding van het fideicommis aan zijn broers elk 60000 gulden uitkeren en aan zijn zusters 50000. Wanneer men weet, dat het echtpaar 10 kinderen had, krijgt men wel een idee van de grote rijkdom. 

 

In de politieke strijd van die jaren was Rengers een van de hoofdfiguren. Toen de Staten-Generaal in 1670 een commissie naar het noorden zonden om de onderlinge geschillen tussen de Ommelanden in goede banen te leiden, behoorde Johan de Witt tot de arbiters. Dezen gingen ook naar Slochteren, waar zij volgens de Groninger Gerhard de Mepsche op kosten van de Ommelanden door Rengers 'heerlijck werden getracteerd'. In de rode kamer op Fraylema zou De Witt hebben gelogeerd.

 

Na de beeindiging van het beleg van Groningen in 1672 werd Rengers door het stadsbestuur van verraad beschuldigd en gevangen genomen. Dat hij een politieke tegenstander van de stad was, zal bij de beschuldiging een rol hebben gespeeld. Ook voor 1672 had de stadsregering geprobeerd Rengers te treffen. Ondanks een verhoor op de pijnbank bleef Rengers alle schuld ontkennen. De stedelijke rechtbank veroordeelde hem tot levenslange gevangenisstraf in 1673, tot grote verontwaardiging van de Ommelanders. Pas in 1678 kwam onder bemiddeling van Willem III een verzoening tot stand tussen de Stad en Ommelanden waarbij Rengers in eer werd hersteld en uit de gevangenis ontslagen. Zijn gezondheid was in gevangenschap zeer verslechterd, zodat hij kort daarna stierf. Het aanzienlijke vermogen was toen al danig ingeteerd. De nalatenschap verkeerde in een verwarde staat en een recht inzicht kon niet worden verkregen door het ontbreken van het staatboek van de Overledene.  Door de aangewezen compromissarissen werd daarom bij uitspraak van 6 september 1680 het fideicommis grotendeels buiten werking gesteld. Wel verkreeg de oudste zoon ritmeester Osebrand Johan het grootste deel van de erfenis met onder meer de borg Fraylema met het staande redgerrecht van Slochteren, de staande collatie te Slochteren en vele andere rechten. De schuldenlast bedroeg bijna 100000 gulden, waarvan de ritmeester 4/9 deel voor zijn rekening zou nemen.

 

Kort daarna stierf Osebrand Johan Rengers, eind 1681 of begin 1682. Fraylema kwam daarna aan zijn broer Evert, die omstreeks 1661 geboren was. Zijn voogd was Henrik Piccardt, die in 1680 met Everts zuster Elisabeth getrouwd was.

 

Piccardt was sinds1674 syndicus van de Ommelanden. Hij had zichvoor de familie verdienstelijk gemaakt door zijn strijd voor de invrijheidstelling van Osebrand Johan Rengers senior. Piccardt was zelf trouwens ook verdacht geweest, maar spoedig weer vrijgelaten.

 

Uit de rekening van het beheer voor zijn jonge zwager Evert blijkt, dat deze in 1688 een schuld had van ruim 143000 gulden, een schuld die nog voortdurend aangroeide. Geen wonder is het dan ook, dat hij in 1690 Fraylema wegens schulden moest laten verkopen.

 

Met het huis werden verkocht de meubels, schathuizen, schuur, singels, hoven, landen, grachten, plantages, met de gehele heerd groot 25 akkers (100 grazen), bouw-, hooi- en weidelanden bij de borg in gebruik geweest, met de heemsteden daarop staande, het redgerrechtte Slochteren, Kolham en meer, met 2000 gulden bezwaard, de schepperij aan de oost- en westzijde van Slochteren, de pretentie van het erfpresidentschap der drie Delfzijlen, de enige collatie te Slochteren met gestoelte, kelder en grafstede in de kerk, de medecollatie te Schildwolde, alle andere huizen en landerijen in Duurswold. Koper werd Piccardt zelf voor 47000 gulden. Tevens werden nog landerijen buiten Duurswold verkocht, waarvan Piccardt eveneens voor het grootste deel koper  werd voor 20170 gulden. Ten slotte kocht hij nog een lijfrente en een obligatie te zamen voor 4500 gulden.

 

Het geld nodig voor deze aankoop leende Piccardt van koning-stadhouder Willem III, ten bedrage van 70000 gulden tegen betaling van een jaarlijkse rente van 2300 gulden. Het geschiedde in de vorm van een hypotheekbrief op de borg Fraylema en de gerechtigheden die Piccardt bezat.

 

De betrekkingen tussen Willem III en Piccardt zijn echt bekend. Voor de hand ligt, dat Willem III voor zijn politiek in de Staten-Generaal belang had bij een invloedrijk persoon in de Ommelanden.

 

Van Evert Rengers is verder niet veel bekend. Hij bleef voor Slochteren op de landdag compareren tot 1701. Een enkele maal komt hij voor als lid van Gedeputeerde Staten. Hij woonde waarschijnlijk op de Ruten, waarvoor hij in 1698 op de landdag compareerde.

 

Piccardt bezat reeds Klein Martijn, dat hij kort na zijn huwelijk gekocht had in 1680. Hij bleef daar ook wonen. Fraylema diende voor het ontvangen van gasten en als jachthuis (zie Klein Martijn). Volgens de overlevering zou Willem III er herhaaldelijk te gast zijn geweest.

 

Henric Piccardt overleefde zijn vrouw en stierf in 1712. Een kleinzoon van zijn oudste broer, Johan Piccard, erfde Fraylema, Klein Martijn en de Ruten. Hij overleed in 1754. De wapens van hem en zijn vrouw Maria Loisa van Couten werden aangebracht op de schouw in de rode kamer.

 

Hun oudste zoon Hendrik Occo, die in 1755 trouwde met zijn nicht Henrica Johanna Piccard volgde zijn vader op, zij het dan ook, dat hij tientallen jaren met zijn broers heeft moeten procederen.

 

De schuld aan Willem III, groot 70000 gulden, was door vererving overgegaan op Johan Willem Friso, later op diens kinderen. Als voogdes over deze kinderen vroeg hun moeder Maria Louisa van Hessen-Kassel aflossing van de hypotheek rustende op Fraylema. Jan Piccard moest een beroep doen op zijn schoonmoeder, die in drie termijnen, in 1714, 1715 en 1720 de schuld afloste. Doordat deze hypothecaire vordering was overgeschreven op de naam van haar dochter Maria Louisa van Couten, de vrouw van Jan Piccardt, ontstonden er moeilijkheden over de erfenis bij diens dood in 1754. Volgens het testament van 1704 vererfde Klein Martijn op zijn oudste zoon Henric Otto. De andere kinderen kwamen echter met de vordering van 70000 voor de gemeenschapelijke boedel, hetgeen Henric Otto niet wilde erkennen. Eindeloze processen leidden tot de financiele ondergang van Henric Otto. Het begon met de verkoop van een deel van het meubilair en andere roerende goederen en veen en boerenbeslag van de borgheerd te Slochteren. In 1759 werd de Ruten verkocht, in 1773 een herenhuis te Groningen. Fraylema en Klein Martijn kwamen in 1781 onder de hamer. Tegelijk werd ook de eigendom van het huis Voorburg met landerijen verkocht. Deze bezitting (ook op een Beckeringh kaart) werd met andere goederen gekocht door de artilleriemeester J. L. Trip.

 

Fraylema zelf werd gekocht door mr. Hendrik de Sandra Veldman. Tot de rechten behoorde de staande jurisdictie van Slochteren, Kolham, Foxham en half Schildwolde. Dat half Schilwolde hierbij genoemd wordt is vreemd, aangezien bij de registratie van redgerrechten te Schildwolde geen Piccardt of opvolger wordt vermeld. Wel noemde H. O. Piccardt zich in 1767 heer van Slochteren, Kolham, half Schildwolde en de beide Harksteden.

 

Fraylema verkeerde in 1781 in een vervallen staat, de bossen waren grotendeels gerooid. De nieuwe eigenaar liet het weer in goede toestand brengen door een ingrijpende vebouwing. De twee losse torens werden afgebroken, de gevels onder een doorlopende kroonlijst gebracht. Het uiterlijk werd daardoor regelmatiger. Het hoofdgebouw kreeg monumentale representatieve ontvangstruimten. De benedenbouw van de toren werd afgebroken met het aangrenzende stuk van de verdieping, om een hal te krijgen. De hal werd gestuct in Lodewijk XVI stijl evenals het plafond van de grote zaal. De gele kamer kreeg een eenvoudig geschilderd Lodewijk XVI behang. Ook de tuin werd opnieuw aangelegd.

 

Bovendien werden twee nieuwe schathuizen gebouwd. Het rechter schathuis draagt nog het jaartal 1783, het linker blijkbaar vernieuwd, dat van 1889.

 

Ook de kerk kreeg een grondige beurt in 1783, terwijl in 1786 een grote watermolen werd gebouwd.

 

Hendrik de Sandra Veldtman, afkomstig uit de stad Groningen, was weduwenaar van Johanna Catharina Aleida de Rheden. In 1786 hertrouwde hij te Slochteren met Adelgonda Christina Wolthers, weduwe van de Arnhemse burgemeester mr. Jan Nanning van der Hoop. Uit dit huwelijk werd in 1789 geboren Hermanna Louise Christina. Een uithangend klokje van de toren herinnert nog aan haar.

 

Zij trouwde in 1810 met Johan Hora Siccama, die in 1811 maire werd van Slochteren. In 1816 werd hij in de Nederlandse adelstand verheven. In hetzelfde jaar overleed zijn schoonvader, waardoor diens dochter, de vrouw van Hora Siccama, Fraylema erfde.

 

Johan Hora Siccama, ook lid van de Tweede kamer, overleed in 1829 te Brussel. Zijn weduwe hertrouwde in 1831 met een neef van haar eerste man Wiardus Hora Siccama. Zij stierf in 1847. Haar man, gepensioneerd kolonel ter zee, bleef als vruchtgebruiker op Fraeylema wonen, ook na zijn hertrouwen in 1850 met Josina Edzardina Adriana Sophia gravin van Limburg Stirum. Hij stierf te Utrecht in 1867.

 

Fraeylema was door zijn eerste vrouw toegewezen aan mr. Abraham Johan Thomassen a Thuessink van der Hoop, een kleinzoon van haar halfbroer Abraham van der Hoop. Uit zijn in 1873 te Rotterdam gesloten huwelijk met Geertruida Ketelaar werd in 1875 geboren Evert Jan Thomassen a Thuessink van de Hoop van Slochteren. Deze erfde na de dood van zijn vader in 1882 Fraeylema. Hij was burgemeester van Sappemeer van 1917-1925 en vervolgens van 1925-1940 van Slochteren. In 1908 trouwde hij met Catharina Cornelia Star Numan. Zij streefden ernaar het huis op stijlvolle wijze te bewonen. Mr. Evert van der Hoop van Slochteren overleed in 1952, zijn vrouw in 1962. Hun twee dochters erfden de borg. Jeanne Agatha trouwde in 1941 met Dirk Evert Nanninga en Geertruida Hermanna Louisa Christina trouwde in 1948 met jhr. Francois Willem Peter Marie van Panhuys. De dochters verkochten de borg in 1971 (1972 volgens de Fraeylemaborg) aan de Gerrit van Houtenstichting. 

 

BRON: De Ommelander borgen en steenhuizen, ISBN 90 232 2314 4