Het huis 'de Nienoord', eigendom van de gemeente Leek, ligt in het omvangrijke landgoed Nienoord te Leek met vele attractiepunten. De borg, gesticht in 1525, werd bewoond door de hoogste adel die Groningen heeft gekend. De familie Van In- en Kniphuisen mocht de graventitel voeren. De borg is in 1850 afgebrand. Het huidige landhuis werd in opdracht van de familie Van Panhuys op de oude fundamenten gebouwd in 1885/86. Van Panhuys raakte met echtgenote, zoon en schoondochter in 1907 met zijn rijtuig in het Hoendiep. Zij verdronken allen. Het huis bleef lang onbewoond.
Een deel van het huis is nu een restaurant met een antieke inrichting en een trouwzaal. De borg maakt deel uit van het Nationaal Rijtuigmuseum met een collectie van circa 300 rijtuigen en toebehoren; de wisselende tentoonstellingen geven telkens een ander deel van de verzameling bijzondere aandacht. Het geheel is omgeven door een ruim park met grachten, lanen, hertenkamp en de schelpengrot, een tuinkoepel die van binnen belegd is met een patroon van schelpen en gesteenten.

Over weinig Ommelander borgen is zoveel geschreven als over de Nienoord.
De Nienoord is omstreeks 1524 gesticht door Wigbold van Ewsum. Deze was enige jaren tevoren begonnen met de aankoop van goederen in Vredewold om daar turfgraverij te ondernemen. Voor de bouw van het huis gebruikte hij veel materiaal van naburige steenhuizen die hij liet slopen, zoals een steenhuis te Midwolde, dat 14000 stenen opleverde. Het nieuwe huis werd naar de voorvaderlijke borg te Middelstum 'den Oord', Nienoord genoemd.
In 1528 stierf Wigbold, maar zijn weduwe Beetke van Raskwerd zette zijn werk voort. Zij bleef ook op Nienoord wonen.
Zij stond zeer in de gunst bij de toenmalige landsheer Karel van Gelre en door zijn toedoen droegen de buren van Vredwold haar in 1531 het erfgrietmanschap op in Vredewold. Hier werd dus een rechtstoel staande, niet doordat alle ommegangen in een hand kwamen, maar door opdracht van de buren. Op deze overeenkomst berustte de oppermachtige positie van de heren van de Nienoord in Vredewold tot 1795 toe. Daarnaast breiden zij door aankoop hun bezittingen uit. Pas na de dood van Beetke, die in 1554 stierf, kwam in 1555 een definitieve boedelscheiding tot stand van de erfenis van Wigbold van Ewsum. Daarbij kreeg zijn zoon WIgbold de Nienoord.
Wigbold van Ewsum (1521-1584), in 1554 getrouwd met Geertruida van Willich uit de omgeving van 's Heerenberg, voerde een grote staat. Door de exploitatie van de venen in Vredewold en de zoutziederijen bij de opslag stak hij zich evenwel in grote schulden. Later werd hij leider van de Ommelanden, na 1580 ook hun militaire aanvoerder. In 1584 stierf hij aan de gevolgen van een verwonding, opgelopen in de slag bij Oterdum.
Tijdens de ballingschap van de Van Ewsums lag het huis verlaten en gedeeltelijk verwoest. Nog in 1591 wordt melding gemaakt van een brand.
Na de reductie (doorzetten van het protestantisme) van Groningen probeerde Wigbolds zoon Caspar, sinds 1599 drost van Drenthe, de Nienoord met bijbehoren terug te krijgen. Het goed wordt enige malen door schuldeisers publiek te koop aangeboden. Pas in 1607 slaagde Caspar. Hij liet het huis opknappen voor 1373 car. gulden.
Na zijn dood in 1639 erfde zijn zoon Willem, geboren uit het huwelijk met Anna van der Does uit Leiden, de Nienoord.
Willem van Ewsum stierf in 1643. Zijn weduwe, Margaretha Beata Freitagh, hertrouwde in 1645 met Rudolf Willem van In- en Kniphuisen (Lutsborg). De dochter van Willem en Margaretha, Anna (1640-1714), erfde het goed. In 1657 trouwde zij met Carel Hieronymus van In- en Kniphuisen, een broer van haar stiefvader. Na zijn dood in 1664 liet zij door Rombout Verhulst in de kerk van Midwolde het bekende grafmonument oprichten. In 1665 hertrouwde zij al weer met een neef van haar eerste man Georg Wilhelm van In- en Kniphuisen.
In die tijd leverden de Nienoordse venen grote winsten op en zo kon het echtpaar de schulden van 150.000 gulden, die op het landgoed lagen, aflossen. In 1678 is overgaan tot een vernieuwing van de behuizing voor 50.000 gulden. Mogelijk had het huis ook geleden onder de bezetting van de Munsters in 1672.
De familie In- en Kniphuisen behoorde tot de aanzienlijkste geslachten in de Ommelanden en haar aanzien werd nog verhoogd toen Georg Wilhelm in 1694 door de Duitse keizer in de gravenstand werd verheven. De gouden bul van deze verheffing is in het rijksarchief in Groningen. Voortdurend bleven Georg Wilhelm en Anna het huis en zijn tuinen en parken verfraaien. Verschillende inventarissen geven ons een idee daarvan. Zo werkten er de schilders Jan de Baen en Herman Collenius. De religieuze belangstelling van de graaf blijkt uit zijn boekwerk 'Entretiens solitaires dun ame devote avec son Dieu', opgedragen aan de Koning-stadhouder, die op Nienoord vertoefd zou hebben.
In 1709 overleed Georg Wilhelm, in 1714 Anna. In zijn testamenten had Georg Wilhelm de Nienoordse goederen tot fidei commis-goederen gemaakt die steeds op de oudste zoon moesten vererven en anders op de oudste dochter mits zij trouwde met een Van Kniphuisen van de ware gereformeerde religie. Deze moest dan de naam en het wapen Van Kniphuisen aannemen. In verband daarmee liet hij de beroemde beker met de rode arend maken die eeuwig bij de possessor van het huis Nienoord moest blijven. Tegenwoordig is hij in Engeland.
Zijn enige zoon, Carel Ferdinand, was slechts vier jaar heer van de Nienoord. Hij stierf al in 1717 als tweede en laatste graaf van de Nederlandse tak.
In zijn testament van 26 oktober 1717 had Carel Ferdinand zijn dochter Anna om haar 'ongebonden, ongehorsaeme, quaede en ergelijcke leven' onterfd van de eigendom van haar erfportie, waarvan zij slechts het vruchtgebruik zou genieten. Zij was getrouwd geweest met Anton II graaf van Aldenburg, heer van Varel en Doorwerth, maar in 1711 van hem gescheiden. Zij stierf een paar maanden na haar vader in 1718.
Tot zijn universele erfgenamen had Carel Ferdinand gemaakt zijn dochter Josina Geertruid, toen nog ongetrouwd, en zijn kleinzoon Jan Carel Ferdinand van In- en Kniphuisen van Asinga, wiens ouders kort tevoren waren overleden. De kleinzoon zou de eigendom van de universele nalatenschap krijgen. Josina Geertruid zou goederen in Oost-Friesland en Drenthe krijgen ter waarde van 50.000 gulden. De bibliotheek en meubelen op de Nienoord en in de stad zouden niet mogen worden weggehaald.
Na de dood van Jan Carel Ferdinand in 1737 kwam Nienoord aan zijn oom Willem. Ook deze stierf weer zonder kinderen na te laten. Zijn erfenis kwam aan zijn neef Ferdinand Folef, gehuwd met de Amsterdamse burgemeesterdochter Anna Maria Graafland. Hij bezat al Asinga. Het echtpaar woonde afwisselend op Asinga en Nienoord.
Ferdinand Folef pleegde zelfmoord in 1795. Zijn tweede zoon, Haro Caspar, erfde Nienoord, dat hij bezat tot zijn dood in 1842. Hij had blijkbaar dezelfde politieke gezindheid als zijn vader; hij was luitenant van het patriotische exercitiegenootschap 'voor onze duurste panden' in 1795.
Na de omwenteling van 1795 waarbij het erfgrietmanschap van Vredwold voor Nienoord werd afgescaft, bleven de borgbewoners in de Leek en omgeving grote invloed houden door hun aanzienlijke grondbezit. Zij bezaten uitgestrekte venen met wateren en wegen, alle grond in het dorp Leek, veerdiensten, collatierechten en veel meer. In de loop van de 19e eeuw is dat alles verloren gegaan. De tijd van neergang begon al omstreeks 1800. In 1802 werd een gedeelte van het gebouw afgebroken, na 1842 het poortgebouw met een deel van het front.
Tijdens Ferdinand Folef komt dan de ondergang. Deze laatste baron von Inn- en Kniphausen (officiele naam bij de erkenning in de Nederlandse adel) van de Nederlandse tak was een tragische figuur. In 1846 vernielde hij de familieportretten. Een brand kort daarna vernielde de oranjerie en de bovenverdieping van het huis. Herbouwd werd het voorlopig niet.
Ferdinand Folef woonde tot zijn dood in 1884 in Groningen. Zijn erfgenaam was de zoon van zijn zuster, jhr. mr. Johan Aemilius Abraham van Panhuys. Deze liet in 1885/6 het huis herbouwen in dezelfde stijl als zijn huis aan het Hereplein in Groningen (Nederlandse Bankgebouw).
Aanvankelijk was de Nienoord alleen een zomerverblijf, maar na zijn pensionering in 1893 vestigde hij zich er voorgoed. (Van Panhuys was burgemeester van Groningen, commissaris van de Koning in Groningen en Overijssel en vice-president van de raad van State.)
Ook zijn einde was tragisch. In november 1907 raakte hij met zijn koets te water bij Hoogkerk en verdronk met zijn vrouw, zoon en schoondochter. Dit was het einde van Nienoord als adelijke woning. Wel waren er nog twee jonge kleinkinderen in leven, maar zij zijn elders opgevoed en niet naar Nienoord teruggekeerd.
Het huis had verschilende bestemmingen, totdat het in 1950 door de gemeente Leek werd gekocht. In 1958 werd het ingericht voor rijtuigmuseum.
BRON: De Ommelander borgen en steenhuizen, ISBN 90 232 2314 4

Borg Nienoord/ Nationaal Rijtuigmuseum
Nienoord 1
9351 AC Leek
tel.: 0594-512260
fax: 0594-517921
e-mail: info@rijtuigmuseum.nl
website: www.rijtuigmuseum.nl
Openingstijden:
1 april 31 oktober dinsdag tot en met vrijdag van 10.00 17.00 uur, zaterdag en zondag van 13.00 17.00 uur. Tweede paasdag en tweede pinksterdag geopend van 13.00 17.00 uur. Het gehele jaar zijn rondleidingen op afspraak mogelijk.