standards:
xhtml  css

Ewsum (Middelstum)

Ewsum bij Middelstum ligt markant in het open landschap. De borg was eeuwenlang bezit van de familie Van Ewsum. Ridder Onno van Ewsum bouwde in 1472 de nog aanwezige gevechtstoren. In de loop van de eeuwen is de borg uitgegroeid tot één van de fraaiste van de Ommelanden.

De Napoleontische tijd, eind 18e, begin 19e eeuw, bracht ingrijpende wijzigingen die van invloed waren op de positie van de Ommelander landadel, met als gevolg dat de inkomsten sterk terugliepen. De borg raakte in verval en werd in 1863 gesloopt op de donjon na. Waardevolle stukken zijn her en der verspreid of ondergebracht in musea. Het puin werd gebruikt voor verharding van wegen. In 1932 is op het borgterrein een boerderij gebouwd overeenkomstig de stijlopvattingen van de architectuur van de Amsterdamse School. De Stichting Beheer Borgterrein Ewsum, Staatsbosbeheer en de gemeente Loppersum streven er in nauwe samenwerking naar de cultuurhistorische waarden van het borgterrein te behouden en waar mogelijk de verloren gegane elementen te reconstrueren. De Stichting Beheer Borgterrein Ewsum heeft het landgoed in erfpacht van Staatsbosbeheer.

 

De naam Ewsum komt voor het eerst met zekerheid in de geschiedenis voor in 1371. In dat jaar worden de regels gesteld voor de waardering van bepaalde munten. Bij het overleg is o.a. Eno of Evo Ewesma betrokken.

 

Volgens een valse oorkonde van 1353 zou de familie aanvankelijk op de Oord (Oert) onder Toornwerd hebben gewoond, maar na de verwoesting van deze 'keizerlijke burcht' in de oorlog, zou jonker Ewe de borg Ewsum hebben gesticht te Middelstum. In hoeverre in deze valse oorkonde nog juiste gegevens zijn verwerkt, is niet meer uit te maken.

 

De naam Ewo Ewesma komt ook voor in de jaren 1390, 1402 en 1406. Vermoedelijk hebben we met twee verschillende personen te maken, hoofdelingen te Middelstum. Terzelfde tijd wordt vermeld, 1397-1404 , Auca (Aweke) Ewesma, 'nobilis matrona in Middelstum'. Zij breidde het landbezit van de familie sterk uit, zo kocht zij de naburige borg (castrum) Gaycamahuis. Een andere vrouwennaam, Ewerde (Evert) Ewesma komt in 1421 en 1443 voor.

 

Vermoedelijk is Auka de vrouw van Ewe Ewesma senior en Ewerde de vrouw van Auka's zoon Ewe. Deze Ewerde was een dochter van Onno Onsta. Ewe junior en Ewerde lieten een kind na, Menneke. Deze trouwde met Hidde Tamminga van Hornhuizen, die daarna de naam Ewesma aannam. Volgens Ubbo Emmius stond hij aan het hoofd van een Gronings-Ommelander legertje dat in 1428 Fokko Ukena bestreed. Hij werd echter verslagen, gevangen genomen en door Ukena zelf gedood. Om te verzoenen zou daarna Ukena zijn dochter Bauwe aan Hiddo's zoon Ewe ten huwlijk zijn gegeven. Wat hiervan waar is, is niet bekend. In elk geval in 1431 leefde Hidde nog. Hij noemt zich dan Hidde Ewesma, maar voert het zegel van Hidde Tamminga. Sindsdien wordt hij echter niet meer vermeld.

 

Evenals Auka en Evert vergrootte ook Menneke het familiebezit door aankoop van landerijen. In 1439, 1442 en 1443 is sprake van de aankoop van steen. Aanwijzing mogelijke verbouwing van Ewsum? In 1472 wordt Menneke voor het laatst genoemd. Zij had twee of drie zonen, Ewe, Onno en Hiddo. De laatste komt alleen voor in latere afschriften van een oorkonde uit 1446. Ewe trouwde met een dochter van Fokko Ukena en verkreeg door haar Dijkhuizen bij Appingedam, waar hij zich vestigde. Onno zou in zijn jonge jaren naar het Heilige land en Cyprus zijn geweest en daar tot ridder zijn geslagen. Na zijn terugkomst zou hij in 1445 de kerk van Middelstum hebben herbouwd. Het is niet echt betrouwbare informatie, want in 1458 wordt hij in gelijktijdige bronnen voor het eerst vermeld. Dan is Onno ridder en getrouwd met de Oostfriese Gela Manninga, een dochter van een zuster van Ulrich Cirksena. In dit stuk uit 1458 (slechts in afschrift van 1512 overgebleven), is sprake van een ruil tussen Ewe en Onno Ewesma, waarbij Ewe landerijen onder Garmerwolde en Ten Boer verkreeg en alle rechten en heerlijkheden (=gebieden) in Fivelingo. Onno  verkreeg Menkemaheerd in Diddinghuizen en de principale heerd en state land de Oert genaamd met 'huisinge, heminge ende graften', 128 grazen groot, Sapsteder land met 20 grazen daarbij gelegen, die Onno al in huur had met alle rechten en heerlijkheden die op de heerd in den Oert vallen, met name het redgerrecht om het derde jaar, de helft van de overrechten te Middelstum, Toornwerd en Engeweer, waarvan Onno reeds de andere helft bezat, en ook Toornwerder zijlrechtereed, een schepperij (=soort gemeente) in het Oosterambt, waaronder verschillende met name genoemd Eden. Deze rechten zouden eeuwig en erfelijk bij het huis Ewsum blijven en van de heerd in den Oert afgenomen zijn. Mocht later bij boedelscheiding de Oord van Ewsum gescheiden worden dan zou de collatie van de kerk te Toornwerd bij de Oord blijven. Verder zou Onno alle rechten en heerlijkheden in Hunsingo hebben en houden. Ook na 1458 breidde Onno zijn bezittingen uit. Bij zijn dood bezat hij in volle eigendom landerijen met de totale grootte van 1899 hectare. Waarbij nog 647,5 hectare gemeenschappelijk met de familie Tamminga. Het grootste complex lag onder Middelstum, Kantens en Toornwerd, samen 587 hectare groot. Het overige land lag verspreid over geheel Hunsingo, met uitzondering van de Marne, en noordelijk Fivelingo. Bij de opgave hierboven zit niet het Mensingegoed bij Roden, dat Onno in 1485 kocht en van de bisschop van Utrecht in leen kreeg. Ook bezat Onno nog huizen in de stad Groningen en Norden (Oost-Friesland). Ongeveer 44 hectare was bij Ewsum in eigen beheer.

 

De rechten van Van Ewsum waren ook aanzienlijk in talrijke dorpen van Hunsingo en westelijk Fivelgo.

 

Het is meestal niet bekend hoe de familie al deze landerijen en rechten verkreeg, want de oorspronkelijke aankomsttitels ontbraken veelal. De oorkonde van 1353 is onecht. Deze ging over de rechten van de Ewsums op de commanderij van Wijtwerd. De oorkonden en de geschriften over de fundatie en collatie van de kerken van Middelstum, Toornwerd en Westerwijtwerd zijn slechts in latere afschriften over, zodat we voorzichtig moeten zijn met de betrouwbaarheid. Zo weten we niet precies hoe het gegaan is met de verbouwing van de kerk van Middelstum. Zeker is dat er verbouwingen hebben plaatsgevonden en dat Wigbold van Ewsum de kruisarmen heeft aangebracht. We moeten niet vergeten dat in Middelstum twee andere borgen stonden, Mentheda en Asinga, zodat de Ewsums niet de enige dorpsheren waren. Onenigheden vooral met de familie Entens op Mentheda kwamen dan ook herhaaldelijk voor.

 

Onno van Ewsum was de rijkste hoofdeling van de Ommelanden. Bovendien gaven zijn riddertitel en zijn verwantschap met de Oostfriese graven hem veel gezag en invloed. Zijn levenswijze kwam daarmee overeen. Zo had hij een eigen kapelaan. Onno en broer Ewe waren vrienden van de Bourgondiers toen dezen hun macht naar het noorden wilden uitbreiden. De Groningers daarentegen voelden zich bedreigd door Karel de Stoute en gingen hun stad versterken. Toen in de dezelfde tijd (1472) Onno van Ewsum zijn slot met toren ging versterken, probeerde de stad dat te verhinderen, maar Onno bouwde de toren af. Onno was ook een ontwikkeld man met een belangstelling voor wetenschap. Zo behoorde hij tot de humanistische kring te Aduard.

 

Hij overleed in 1489. Hij had vijf dochters en vier zonen  (Hidde, Abeke, Relof en Wigbold). Hidde overleed al in 1494. De zonen zetten het beleid van hun vader voort; zij voerden de jonkerstitel en gingen zich Van Ewsum noemen in plaats van Ewesma. Een eigenlijke boedelscheiding schijnt voorlopig niet tot stand te zijn gekomen.

 

Tegen het eind van de 15e eeuw braken er oorlogen uit die tot 1536 deze streken zouden teisteren. De drie broers waren aanhangers van de Saksische hertogen en graaf Edzard van Emden en dus de tegenstanders van de stad. Mensinge werd door de Groningers geplunderd en ook Ewsum liep zware schade op. Abeke, die we in die tijd het meest met Ewsum in verband aantreffen, was ook bevelhebber van Appingedam onder Edzard. Abeke stierf daar in 1503 zonder wettige kinderen na te laten. In 1506 nam de stad Edzard als heer aan, waarna een tijdperk van rust aanbrak. Ewsum en Mensinga konden weer worden hersteld en bewoond. Wigbold, die in 1502 met Beetke, erfdochter van Raskwerd, trouwde, kreeg Ewsum en Relof Mensinge. Relof trouwde in 1507 met Luytge Haringxma van Sneek en vestigde zich daar.  

 

In 1515 kwam het tot een openlijke breuk tussen George van Saksen en graaf Edzard van Emden. De broers Ewsum kozen de kant van George. Na de inname van Appingedam werden zij door George tot ridder geslagen. George deed zijn rechten over aan Karel de vijfde, ook toen bleven de broers aan Bourgondische kant. Zij huldigden Karel van Gelre niet als heer, maar weken uit naar Hasselt, waar vooral Relof de Geldersen bestreed. Van Wigbold horen we in die tijd niet zoveel. Hij werd in 1515 door George van Saksen officieel van zijn eed van trouw ontslagen en in 1520 ook door karel V. Daarna mocht hij van Karel van Gelre naar de Ommelanden terugkeren, waar hij zich wijdde aan de opbouw van Nienoord en de vestiging van zijn positie in Vredewold. Hij stierf in 1528. Zijn politiek werd voortgezet door zijn weduwe Beetke en hun vijf zonen, Onno, Johan, Hidde, Christoffel en WIgbold. Ook nu kwam het niet onmiddellijk tot een boedelscheiding. Beetke bleef op Nienoord wonen en Ewsum schijnt ook door haar zonen niet bewoond te zijn. Er is tenminste sprake van huisbewaarders. Onno, zoon van Relof, stierf in 1537 zonder wettige nakomelingen. Dus kwamen Ewsum, Mensinge, Nienoord en raskwerd, afkomstig van Beetke, aan de kinderen van de in 1528 gestorven Wigbold. Kort voor en na de dood van Beetke in 1554 kwam het eindelijk tot boedelscheidingen waarbij Johan Ewsum en Mensinge, Christoffel Raskwerd en Wigbold Nienoord verkreeg. Onno en Hidde waren al gestorven.

 

Johan gaf de voorkeur aan Mensinge boven Ewsum. Hij probeerde een belening te verkrijgen met de drie dorpen Roden, Norg en Roderwolde en zelfs met het gehele Noorderdingspel, maar deze poging mislukte. Mogelijk heeft hij op Ewsum laten verbouwen, want in 1561 zijn gebrandschilderde ramen aangebracht, ook een schouw in het rijksmuseum in Amsterdam van 1561 zou van Ewsum afkomstig zijn. Ook bleef hij in de Ommelanden een belangrijke rol spelen. In 1555 vertegenwoordigde hij Stad en Lande bij de troonswisseling (Filips II volgde zijn vader Karel V op), waar Johan tot ridder werd geslagen.

 

Johan had grote theologische belangstelling en was een vriend van de Hervorming. Toch diende hij onder de katholieke Karel V in de Smalkaldische oorlog. Tijdens de inval van Lodewijk van Nassau bleef hij afzijdig. Hij hoefde niet te kiezen voor of tegen zijn leenheer want in 1570 overleed Johan van Ewsum. Hij was tweemaal getrouwd geweest, eerst met Henrick Kater, daarna met Anna van Burmania. Met Anna had hij drie zonen, Onno (Aepco), Jurgen, Joost en een dochter. Bij zijn dood waren er vele schulden en de baten bestonden grotendeels op een vrij waardeloze vordering op zijn broer Wigbold, die veel geld nodig had voor zijn veenontginning en zoutwinning. Moeilijkheden ontstonden over de administratie der goederen en de voogdij over de kinderen. Anna zelf hertrouwde in 1575 met Claas Kater. Rempt Jensuma werd ten slotte officieel door de hoofdmannenkamer tot voogd benoemd. De rector van de latijnse school ter A, Ludovicus Gratema werd pedagogus en beheerder van het vermogen der kinderen. Jensema  moest in 1580 uitwijken en dat gaf weer nieuwe problemen.

 

Johans zoon Aepko ging naar Spaanse zijde over; hij was getrouwd met een dochter van luitenant De Mepsche. In 1593 sloot hij zich toch aan bij Willem Lodewijk. Hij stierf in 1599 kinderloos. De tweede zoon , Jurgen, was al voor 1583 gestorven. Over bleven Joost en Susanna, getrouwd met hopman Jacques Salencijn. Van hen kreeg Joost Mensinge en Susanna Ewsum. De boedel was met grote schulden bezwaard, zodat allerlei processen ontstonden en grote verkopingen plaatsvonden. Van 1595-1599 werden de goederen in de Ommelanden verkocht. In 1596 de heerd Den Oert, 11 grazen groot en in gebruik bij Willem Lamberts te Toornwerd. Koper werd Joost Veelcker. Ook Ewsum dreigde onder de hamer te komen. Susanna droeg nu de borg over aan haar neef Caspar van Ewsum. Deze wist eerst een verkoop te verhinderen, maar toen in 1601 de veiling toch doorging, werd hij zelf de koper. Nog voor 1610 verkocht hij de borg aan Luurt Ripperda, wiens vrouw Ida Lewe na de dood van haar man in 1616 Ewsum met 104 grazen land verkocht aan Abel Coenders, burgemeester van Groningen. Abel liet in 1628 weer gebrandschilderde ramen aanbrengen. Hij overleed in 1629, zijn vrouw Teteke Entens in 1649. Hun enige dochter Anna was kort voor haar vader overleden. Anna was getrouwd met Evert Lewe op Asinga te Ulrum. Bij de boedelscheiding van 1630 verkreeg deze als wettige voogd over zijn vier kinderen onder meer de borgen Ewsum en Asinga of Emda. Teteke kreeg het door haar zelf bewoonde huis in de Boteringestraat te Groningen.

 

Als enige collator namens zijn kinderen liet Evert in 1630 een nieuwe klok maken te Middelstum en die van Westerwijtwerd hergieten. Zijn schoonvader Abel Coenders had al in 1622 de klok van Toornwerd laten herstellen.

 

Evert Lewe stierf in 1641. De scheiding van zijn nalatenschap en die van Abel Coenders vond pas plaats in 1648. Daarbij verkreeg de oudste zoon Johan de borgen Ewsum en Asinga te Middelstum met bijbehoren.

 

Daarmee begint een nieuw tijdperk van bloei voor Ewsum. Johan Lewe, die zich er met zijn vrouw Geertruida Alberda vestigde, herstelde de borg naar het voorbeeld van Nijenstein. Hij liet er een toren aanbouwen en restaureerde de oude gevechtstoren door deze te verlagen en het onderstuk met een steenlaag te ommantelen. In 1662 liet hij in de kerktoren een carillon aanbrengen, aan de kerken van Middelstum en Westerwijtwerd schonk hij fraaie avondmaalsbekers in 1656. Doordat hij Mentheda verkreeg was hij de enige heer van Middelstum geworden. Wel stond hij in 1649 Asinga weer af, maar de rechten behield hij.

 

Johan Lewe werd na zijn dood  (ongeveer 1670) opgevolgd door zijn zoon Evert Lewe, die in 1680 ongehuwd overleed. Ewsum vererfde toen op zijn broer Reint, die in 1682 trouwde met Helena Clant van Stedum en in 1704 overleed. daarna volgde hun zoon Johan, die in 1709 trouwde met Amalia Maria Clant van Nijenstein. Hij overleed in 1737, waarna Reint Jan Lewe volgde, die in 1742 ongehuwd overleed. Ewsum vererfde daarna op diens broer Edzard Jacob, gehuwd in 1740 met Allegonda Maria Rengers van Farmsum. Hij liet in 1744 Asinga, dat aan de familie teruggekomen was, op afbraak verkopen.

 

Na zijn dood in 1753 bleef de boedel onverdeeld. Zijn weduwe hield het gebruik van Ewsum. Hun oudste zoon deed dan ook mee op de landdag niet voor Middelstum maar voor Uithuizermeeden en later voor Ranum. Wel bezat hij een huis aan de straat in Middelstum, waar hij soms woonde. Ook voerde hij de titel heer van Middelstum.

 

Tot 1795 bekleedde hij de hoogste functies in de Ommelanden. daarna is hij uitgeweken. Hij stierf in Norden in 1800. In 1773 was hij getrouwd met Petronella Sara Geertruida Nahuys van Monnikendam. Kinderen lieten zij niet na.

 

Zijn broer Egbert werd al in 1761 op 18-jarige leeftijd secretaris van de provincie. Hij bleef dit tot 1798. Na de dood van Allegonda Maria Rengers werd Ewsum door de familie te koop aangeboden in het voorjaar van 1798. Het aloude huis werd aangekondigd als een deftige en wel gereguleerde herenbehuizing, waaraan een fraaie toren, beide uit het water opgehaald, met twee schathuizen, hoven, singels, allees, grachten, vijvers, bomen en plantages, te zamen ongeveer 11 grazen. Het huis was voorzien van een benedengalerij, verscheiden behangen kamers, een ruime keuken, een extra grote bovenzaal en vier kamers aan de vier hoeken, zeer spatieuse verwulfde kelders, een orangerie in een van de schathuizen, een koepel of zomerhuis aan het trekdiep, een groot appelhof waarin een vijver de Kooi genaamd enz. enz. Bovendien de oude borgsteden Asinga en Mentheda met rondelen en grachten. Deze verkoping werd echter op last van het Intermediair Admiministratief Bestuur van het voormalige gewest opgeschort op grond van de publikatie van het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek van 31 maart 1798. Daarbij was bepaald, dat bij de provisie geen transporten, hypothecatien of andere acten of middelen van bezwaar of vervreemding van enige goederen zullen mogen worden gepasseerd door of van wege zich buitenslands bevindende personen die van 1787-1795 een post als regent of 'minister' binnen deze republiek hebben bekleed.

 

Dit sloeg op Reint jan, die minstens voor een vierde eigenaar was van Ewsum. Op 25 juni kwam er een nieuw Intermediar Administratief Bestuur, dat al op 26 juni de schorsing ophief. De verkoping vond nu plaats op 23 juli. Er werd blijkbaar geen behoorlijk bod gedaan, want op 3 augustus werd Ewsum uit de hand te koop aangeboden.

 

De onderstaande goederen bleven volgens een inventaris uit omstreeks 1800 in handen van E.J. Lewe en zijn vrouw A. M. Rengers. Behalve de borg zelf met 41 en half gras, de twee huizen in de stad en enige zitplaatsen in de Martinikerk bestond het onroerend goed uit 2135 grazen en 65 heemsteden te Middelstum en Stitswerd. De jaarlijkse opbrengst was bijna 7700 gulden. Het vermogen aan obligaties en los geld bedroeg 26.778 gulden. Daartegenover stond een schuld aan obligaties en achterstallige renten van rond de 118.635 gulden.

 

Na de dood van Reint Jan in 1800 kwam slechts een gedeeltelijke scheiding tot stand. Ewsum wordt daarbij niet genoemd, maar kwam aan zijn broer Egbert, die tot 1798 secretaris van de provincie was geweest en allerlei regeringsfuncties had bekleed in de Bataafse en Franse tijd. Na de bevrijding in 1813 was hij nog korte tijd commissaris-generaal van het departement van de Westereems.

 

Op 30 december 1805 droeg hij Ewsum met bijbehorende rechten over aan zijn zoon Edzard Jacob, ontvanger van de beschreven middelen in het Fivelingokwartier. Deze vestigde zich op Ewsum, waar hij kantoor hield.

 

Hij is tweemaal getrouwd geweest, eerst met Anna Habina Jacoba van In- en Kniphuisen, daarna met Maria Roberta Bernardina Johanna van Hasselt. Hoewel hij het huis weer herstelde en bewoonbaar maakte, bood hij het in 1851 uit de hand te koop aan. Dit mislukte en op 26 januari 1856 volde een publieke verkoping. Koper werd H. W. Wierda te Winsum voor 40.275 gulden. Deze liet het huis in 1863 afbreken. Alleen de oude schiettoren bleef gespaard.

 

Edzard Jacob Lewe van Middelstum stierf nog in hetzelfde jaar van verkoop te Meppel, op reis naar ouderkerk, waar hij zich had willen vestigen.

Ten noordoosten van Ewsum liggen nu nog drie boerderijen, De Noort, De Oldenoord en De Tienoord.

 

De glazen uit de ridderzaal waren in lood gevat en gebrandschilderd met familiewapens (nu in het Groninger Museum). Er is ook een schilderij met Evert Lewe (6 jaar) en Reint Lewe (1 jaar) erop met in het midden de borg met twee (er was er in werkelijkheid maar een) geschutstorens. Het schilderij stamt uit 1657 en is geschilderd door J.J de Stomme. Verder waren er vijf zerken wapenschilden op de toren, die nu in de gevel van Ekenstein zitten. Het puin van de afbraak is over de gehele provincie verspreid, bijvoorbeeld voor de verharding van de Oosterbuursterweg.  

 

 

BRON: De Ommelander borgen en steenhuizen, ISBN 90 232 2314 4