standards:
xhtml  css

Coendersborg (Nuis)

 De Coendersborg te Nuis is in 1813 gebouwd op de plaats waar eerder de Fossemaborg stond. De Fossemas waren invloedrijk in Nuis en omgeving. Omstreeks 1520 kocht Wigbold van Ewsum uit Middelstum land in Vredewold (gemeenten Leek en Marum) en bouwde de borg Nienoord. Er ontstond een eeuwen durende strijd om geld, aanzien en macht. Dit leidde tot geregisseerde huwelijken, ontvoeringen en zelfs een veldslag bij het Bolmeer.

In 1758 (vermoed dat dit 1785 is, volgens Formsma, Luitjens-Dijkveld Stol en Pathuis) kwam de borg in handen van Oene van Teyens. Zijn erfgenamen, twee broers en een zuster, bouwden de huidige Coendersborg. Van deze drie trouwde alleen Benedictus en wel met zijn dienstbode Froukje Alberts. Zij kregen drie kinderen die allen ongehuwd bleven. Een van deze kinderen, Oene, overleed als laatste in 1866 te Beetsterzwaag. De erfenis ging naar de buurman, dokter Tonckens. De familie van Froukje Alberts heeft lang processen gevoerd namens de erfgenamen over dit vreemde "testament". De Stichting Het Groninger Landschap kocht het landgoed in 1956. In de schuur is een klein museum ondergebracht met oude voorwerpen en gereedschappen van vóór de mechanisatie in de landbouw.

 

Deze borg is ontstaan uit drie heerden, Fossema, Harckema en Heringe. Personen van deze naam komen al in de 15e eeuw voor.

 

In 1534 ging Sywert Fossuma een ruil aan met Hemko IJpens, waarbij hij aan IJpens afstond de Ooster Fossumaheerd met huis, hof enzovoort. Hemko Harkema was toen gezworen rechter in Westerdeel-Vredewold. Getuige was onder meer Elynck Herynge. De drie geslachten waren in die tijd nauw verbonden.

 

Waarschijnlijk is Fossema gesplitst gebleven in een ooster- en westerdeel. Het oosterdeel (de rechten) was in 1750 in andere handen dan het Fossema dat met de twee andere heerden (Harckema en Heringe ) verbonden is geworden. Ook is in 1594 sprake van een halve heerd te Nuis Fossemaheerd, die door Imke Fossema en haar zoon Harko Alberts aan Elink Fossema werd overgedragen.

 

Hoe en wanneer de drie heerden in een hand zijn gekomen is niet bekend, maar het moet wel hebben plaatsgevonden voor 1647. In dat jaar verkocht namelijk Iwo Auwema, zoon van Elinck Fossema, aan zijn tante Eetke Fossema, weduwe Hymersma, drie heerden te Nuis. Namelijk de Fossemaheerd, 'daer het hoeff ende behuisinge op staedt', de aangrenzende Harckamaplaats en de derde, genaamd Heeringeplaats, met behuizingen, hovingen enzovoort. Alle drie werden door meiers gebruikt.

 

Een splitsing dreigde, want Eetke Fossema bepaalde in haar testament van 1648, dat bij haar kinderloos overlijden haar bezittingen zouden vererven op haar neef en nicht Iwo en Frouwke Auwema, behalve de Fossemaheerd, die aan Elingh Fossema (Ketel) zou komen.

 

In 1668 kwam Ludolf Coenders, raadsheer in Groningen, door aankoop van de erfgenamen in het bezit der drie heerden. Toen hij de venen ging exploiteren raakte hij in een langdurig proces met de heer van Nienoord (die deed ook aan exploitatie van de venen).

 

Na zijn dood in 1679 vererfden de drie heerden op zijn zus Etta Coenders, weduwe van Iwo Auwesma. Zo kwam het goed weer terug aan de familie Fossema, nu Auwema geheten (zie Auma te Tolbert).

 

Vermoedelijk heeft Ludolf Coenders de oude Fossemaheerd verbouwd tot een voor een edelman passsend buitenverblijf, althans in 1699 is sprake van een borg.

 

Gelegen in Vredewold bezat het huis alleen collatierechten in de kerk van Nuis en zijl- en boerrechten. Ook behoorden tot het huis jacht- en visrechten. Onder Ludolf of Etta zal ook de naam Coendersborg zijn ontstaan. Met die naam komt het in de 18e eeuw voor.

 

Etta Coenders is bekend geworden in verband met de schaking van haar stiefkleindochter en dochter in 1667 (zie Aykema te Grijpskerk), maar dat was in de tijd dat zij nog in Tolbert woonde.

 

In 1699 verkocht zij de borg te Nuis aan haar schoonzoon Oeno van Teyens, die getrouwd was met haar dochter Hyma Auwema.

 

Oene van Teyens, 1636-1715, kapitein in het Staatse leger, behoorde tot een familie afkomstig uit Beesterzwaag en in die omgeving zeer machtig. Hij stierf te Beesterzwaag, maar werd te Nuis begraven, evenals zijn vrouw tevoren in 1700.

 

De borg viel bij erfscheiding van 1717 ten deel aan hun zoon Saco van Teyens, gecommitteerde ten Landdage van Friesland. Hij bleef in Beetsterzwaag wonen en stierf daar in 1774. Zijn weduwe Etta Arnolda van Besten overleed in 1785.

 

Bij erfscheiding van dat jaar (of was dit al in 1758 volgens een andere bron ??waarschijnlijk was het jaar van erfscheiding 1785,want in 1758 leefde Saco nog en dan zou er geen erfscheiding plaatsvinden.)  kwam de borg aan Oene van Teyens, ontvanger van Opsterland, en na diens dood in 1801 aan zijn broers en zuster: Tinco, gestorven 1806, Benedictus, gestorven 1804 en Hyma, gestorven 1816, wonende te Oldeboorn en Beetsterzwaag. Hoewel zij dus niet permanent te Nuis woonden, is toch onder Hyma in 1813 het herenhuis gebouwd, zoals het nu nog bestaat. Ook het ontginnen van de venen werd weer aan gewerkt.

 

Na de dood van Hyma kwam de Coendersborg aan de kinderen van haar broer Benedictus met name Etta Arnolda, Saco en Oeno. Zij stierven ongehuwd in 1862, 1857 en 1866.

 

Etta Arnolda en Oeno Teyens vermaakten hun bezittingen aan dr. Joachimus Lunsingh Tonckens, arts, later burgemeester te Beetsterzwaag.

 

De rechtsgeldigheid van het testament wordt nog bestreden door de vermeende erfgenamen, maar eisen tot nietigverklaring zijn door de rechtelijke macht steeds afgewezen.

 

Nadat in 1910, 17 jaar na de dood van haar man, Helena Aletta Lunsingh Tonckens-Koumans was overleden, kwam de Coendersborg bij akten van scheiding in 1911 aan haar kleindochter Margaretha Wichers. Deze is tweemaal getrouwd geweest, eerst met mr Johannes Hanegraaf, daarna met mr. Karel Anthonie Cohen Stuart. In tegenstelling met vorige eigenaren woonde zij, zeker de laatste jaren, op de borg, waar zij in 1951 gestorven is. Haar neef mr. dr. Arnold Daniel Hermannus Fockema Andreae te Arnhem, die het landgoed erfde, verkocht het in 1956 aan de stichting 'Het Groninger Lanschap'. Met zijn bossen en landerijen vormt het als een opstrekkende heerd een aantrekkelijk landgoed in de gemeente Marum.

 

Borg en borgterrein zijn nog intact.

 

BRON: De Ommelander borgen en steenhuizen, ISBN 90 232 2314 4