De meeste 19e-eeuwse boerenbedrijven op het Hogeland waren naar verhouding grote akkerbouwbedrijven. De landbouw was vrijwel de enige tak van nijverheid. De ontwikkelingen van het landbouwbedrijf brachten grote veranderingen in de verhoudingen tussen boer en personeel teweeg. Tegenover de voordelen van modernisering stond het verdwijnen van de goede verhoudingen tussen boer en personeel. In het boerenbedrijf waren niet alleen mannen aan de arbeid, ook de boerin, de meiden en arbeidsters verzetten veel werk.
Tot 1900 had de boerin de leiding over de dienstmeiden en werkvrouwen, wiens werkzaamheden volgens een nauwgezet schema verliepen. Zij had met haar inwonende dienstmeiden, de grote en de lutje meid, de verantwoording over het karnen, de slacht, de verzorging van het jong- en kleinvee, het inmaken van groente en fruit en de maaltijdbereiding voor gezin en personeel. De grote meid molk 's ochtends de koeien, hielp de boerin mee met karnen en was verder op de 'boenpost' waar de karn, emmers, ketels en potten werden schoongemaakt. 's Zomers ging ze mee naar het land, 's winters hielp ze mee zakken lappen. De lutje meid hielp eerst mee in de schuur; s' winters draaide ze de waaier om het graan te schonen. Daarna hielp ze mee met het wassen van potten en pannen. In de zomer begon hun werk om 3 uur, in de winter om 4 uur. Na het avondeten wasten de meiden af en schilden alvast de aardappelen voor de dag daarop. De inwonende dienstmeiden en knechten leefden in deze periode gescheiden van de boerenfamilie .Ze aten in een onverwarmde,afgetimmerde kamer in de schuur, de 'etenskamer', waar zij ook de avond doorbrachten. De knechten sliepen in bedsteden in de stal, de dienstmeiden in bedsteden in keuken of gang. Het eten, stamppot of aardappelen, werd uit een gemeenschappelijke schaal gegeten en volgens een strikt weekschema samengesteld.
De werkvrouwen woonden in het dorp of in een huisje bij de boerderij als ze met een vaste arbeider getrouwd waren. In de zomer werkten zij op het veld en tijdens de grote schoonmaak hielpen ze op de boerderij. In het voorjaar moesten de vrouwen wieden en mest over het land schudden; in de hooitijd hooien; in de oogsttijd vlas trekken en binden, graan en bonen binden en schoven in de schuur optassen. In het najaar en de herfst moesten ze onder meer suikerbieten en aardappels rooien. In de oogsttijd waren ook veel losse arbeidsters aan het werk.
Rond 1900 ontstond een nieuw type boerenbedrijf. Door de opkomst van de zuivelindustrie hoefde er niet meer op de boerderij gekarnd te worden en was de grootste taak van de boerin als zuivelproducente voorbij. Zij bleef zich nog bezighouden met het opfokken van jongvee, het onderhouden van de groente- en bloementuin, maar distantieerde zich langzaam van het boerenbedrijf. De boerin werd een dame-boerin, maakte zich meer en meer de stadse cultuur eigen en interesseerde zich steeds minder voor het boerenbedrijf. In deze periode werd het minder gebruikelijk dat het personeel inwoonde, op een dienstmeisje en eventueel een kindermeisje na. De landarbeidsters bleven uit financiële noodzaak meewerken op het land terwijl, ondanks de leerplichtwet van 1900, veel meisjes vanaf 12 jaar thuis bleven om op de jongere broertjes en zusjes te passen. Door het grote aanbod van vrouwelijke arbeidskrachten bleef het algemeen loonniveau laag zodat aanschaf van machines vaak werd uitgesteld.
De taak van de boerin kwam nu bij de zorg en opvoeding van de kinderen te liggen. De in deze periode opgerichte Nederlandse Bond voor Plattelandsvrouwen en de Vereniging voor Huisvrouwen benadrukten deze zorgtaak sterk. Maatschappelijk werd het meer gewaardeerd als de vrouw niet werkte en de boerenvrouwen gingen nu actief aan het verenigingsleven deelnemen.
In de jaren 50 werkte het grootste deel van de beroepsbevolking op het Hogeland nog steeds op de boerderij onder vrij slechte omstandigheden waarbij de landarbeider een groot standsverschil met de boeren ervaarde. De nieuwe generatie arbeiderszonen en -dochters volgden steeds vaker vervolgonderwijs en velen verlieten de streek op zoek naar ander werk. De boerinnen gingen weer meer hand- en spandiensten voor het bedrijf verrichten, o.a. in de administratie en het taboe dat werken 'niet hoorde' werd langzaam doorbroken.
Nu is het vaak economische noodzaak dat de boerin weer meewerkt. De meeste bedrijven zijn gezinsbedrijven waar ook de kinderen meehelpen. De boerin is weer intensief bij het bedrijf betrokken.
(Dit is een uittreksel van een artikel in 'Stad en Lande' jaargang 7 nummer 1 door Karin Strengers-Olde Kalter.)