
De naam van deze borg komt van Bate de Sighers, die in het midden van de 17e eeuw eigenaresse was. Zij was getrouwd met Eisso Sighers. De familie de Sighers was van adel, de familie Sighers, voor zover bekend, niet. Hun zoon Wolter van Sigers noemde zich wel jonker, voluit tot Batenborch jonker en hoveling te Baflo, Ranum, Maarhuizen, Mensingeweer en Eenrum.
In 1673 werd Bate de Sighers haar Plaetse Batenborch genaemt gerechtelijk verkocht. Het werd omschreven als: behuysinge, hovinge en plantagie met 32 jukken vrij land, een stem in de collatie en zijl- en dijkrecht. Koopster werd Lucretia Jarges, weduwe Millinga, voor 8200 gulden.
Daarna komt als eigenaar voor Hermanus Stenius. Hij liet in 1677 een brief van 3 maart 1676 wegens de borch tot Maerhuysen Batenborg registreren om toelating tot de landdag te verkrijgen (als je op de landdag compareerde telde je mee als adellijke familie). Stenius crediteuren lieten de plaats, nu ook met een gracht en singel, in 1681 verkopen. Eigenaar werd dr. Schaink voor 5000 gulden. In 1688 was de plaats weer in andere handen, namelijk van de advocaat Roebers. Dit blijkt uit een vergunning die hij in dat jaar kreeg om het water uit de gracht te mogen lozen door de Winsumer- en Schaphalster zijlen (=sluizen). Een soortgelijke vergunning werd in 1707 verleend aan Albartus Boelens, de toenmalige eigenaar.
In 1720 behoorde de plaats aan de erven van Hendrik Ferdinand van In- en Kniphuisen en Aurelia Jarges. In 1730 werd door de voogden van Jan Carel van In- en Kniphuisen het huis met de beklemming (verhuur) van de landerijen verkocht. Inmiddels was voor het huis de naam Batjeborg in gebruik geraakt.
Sinds 1730 wonen er meiers, maar de eigendom bleef aan de familie Van In- en Kniphuisen tot 1806. Toen kocht de meier Sibbe Jans de behuizing. Deze noemde zich Van der Borg. Ook de namen Van der Burg en Ter Borg komen in deze familie voor.
In 1854 was de boerderij in bezit van jhr. mr. Oncko Quirijn Jacob Johan van Swinderen, die er een nieuw huis liet bouwen. Tot op heden bleef het in bezit van de familie van Swinderen. Het familie wapen siert nog in de bovenverdieping. In de rechtervoorkamer beneden is een oude schildering van het huis voor de schoorsteenmantel.
Volgens de overlevering diende het huis als nachtverblijf voor de familieleden op weg naar Rensuma te Uithuizermeeden, dat ook in bezit van deze familie van Swinderen was.
In de 17e en 18e eeuw had het huis waarschijnlijk niet de allure van een borg.
Tegenwoordig is de borg een boerderij. De grachten en singels zijn vrijwel intact. Voor het huis en voor de achtergevel van de schuur zijn stukken gracht gedempt.
BRON: De Ommelander borgen en steenhuizen, ISBN 90 232 2314 4
