Al zou men dat op het eerste gezicht vanwege de vele veranderingen niet zeggen, in Eenum staat één van de oudste bakstenen kerken van de provincie, uit het laatste kwart van de 12de eeuw. Ze zal er ongeveer hebben uitgezien als het kerkje in het naburige Oosterwijtwerd, dat de oude vorm beter heeft bewaard. Hier en daar zijn nog sporen van de oorspronkelijke toestand zichtbaar.
Schuin boven de 15de-eeuwse ingang van de zuidmuur ziet men de beëindiging van het spaarveld, dat zonder onderbreking over de hele muur liep. Voorzover zichtbaar had het een rechte afsluiting. Voor de rest loopt er nu een rollaag. Hier en daar wijzen naden op plaatsen waar vroeger vensters gezeten hebben. De huidige ramen zijn waarschijnlijk in de 16de eeuw ingebroken. De bakstenen montants, waarvan resten zijn aangetroffen, zijn door houten sponningen vervangen. Dat is waarschijnlijk in de 18de eeuw gebeurd, toen er veel reparaties aan de kerk zijn verricht. Ongeveer in het midden van de gevel wijst een boog op een vroegere Romaanse ingang.
De oostgevel werd in 1845 gebouwd na de afbraak van de absis. Het dak kreeg een wolfseind, maar bij de restauratie, in 1978, werd een rechte top aangebracht. In de noordgevel is een oud venstertje duidelijk zichtbaar, van een ander ziet men de naden. Het metselwerk van het spaarveld is nog betrekkelijk gaaf, de wand daaronder is echter nogal opgelapt.
De dichtgemetselde ingang is waarschijnlijk 15de-eeuws. Misschien zijn toen ook de huidige vensters aangebracht. De westgevel is sterk vernieuwd. Aan de noordkant ziet men bovenin de resten van een spaarveld. Het jaartal in de windvaan vertelt ons dat de toren van 1710 is. Het is een vrijwel onversierd bouwwerk. In de noordmuur zit de ingang binnen een spitsboog, van het jaartal op de sterk verweerde steen erboven is alleen '17' nog te onderscheiden. De luidklok is van 1410.
De opstelling van het meubilair is bij de restauratie nauwelijks veranderd. Wel werden de kleuren aangepast: preekstoel en orgel verloren hun verflaag, terwijl de banken een nieuwe roodbruine kleur kregen. Na de sloop van de absis werd de kansel uit 1654 tegen de nieuwe oostwand geplaatst. De panelen hebben sierlijke klauwstukken. Het achterschot is van later tijd, mogelijk uit 1845, toen een nieuwe trap werd gemaakt. De balusters vinden we ook in de even oude halfronde doopafscheiding. De kerkenraadbanken bevatten elementen uit de eerste helft van de 17de eeuw. De noordelijke bank, waarin een offerblok is geplaatst, heeft een mooi gesneden lijst met wapens.
De schotten met opzetstuk tegen de oostwand, die tot 1845 dienden als koorafscheiding, en de twee fraai gesneden palen met forse knoppen onder het orgel dateren uit dezelfde periode. De overige banken dateren deels uit het derde kwart van de 17de eeuw, deels van 1845.
Onder de pleisterlagen zijn schilderingen uit het laatste kwart van de 16de eeuw tevoorschijn gekomen. Boven langs de muren loopt een rode bies. Langs de westhoeken is een band van rood en grijs getrokken. Rond de zuidvensters zijn natuursteenblokken geschilderd. Verder vindt men op deze wand een geschilderde zuil, een tekst in cartouche, een geschilderd rond venster en uit een vroegere periode een wijdingskruis. Op de noordwand is het restant van een aedicula gevonden, evenals de cartouche in de stijl van Vredeman de Vries. De zerk van Reint Alberda, gestorven in 1724, is achter de kansel vandaan gekomen. De wapens zaten onder de pleisterlaag, de steunbalk van de preekstoel was er doorheen gebroken. De koperen kroon is van omstreeks 1700.
In 1704 bouwde A. Schnitger het orgel. P.van Oeckelen breidde het in de vorige eeuw uit, waartoe de kas werd verbreed. Het rankwerk opzij en de versieringen bovenop zijn nu niet zichtbaar, maar hopelijk komen ze bij een restauratie van het orgel terug.
