De naam van de wierde Godlinze wordt voor het eerst omstreeks het jaar 1000 als Godlevingi genoemd in een lijst van inkomsten uit goederen van het klooster Werden. De kerk kwam ten hoogste honderd jaar later tot stand: een tufstenen bouwwerk dat wellicht niet veel langer was dan de oostelijke travee van de tegenwoordige kerk. De zijgevels van dit eerste kerkje zijn in de bestaande kerk opgenomen. Van de noordgevel resteert meer dan van de zuidgevel. Ook de oostgevel is bij de restauratie teruggevonden. Het bestaan van een koorabsis kon niet worden aangetoond. Een opening in de zuidmuur was de toegang tot deze oudste kerk. Vooral aan de binnenzijde ten oosten van de preekstoel is die opening goed te zien.
Ongeveer vijftig jaar na de bouw, dus in ca. 1150, is de kerk naar het westen verlengd, men gebruikte daarvoor een iets kleinere maat tufsteen. De verlenging kwam elk geval tot en met de tegenwoordige middelste travee. De westelijke beëindiging van deze twaalfde-eeuwse kerk is niet met zekerheid aan te geven. Kleine rondboogvensters lieten licht in de niet-overwelfde ruimte toe. In de noord- en zuidwand is de plaats van een aantal vensters in de pleisterlaag zichtbaar gemaakt.
De volgende uitbreiding vond plaats in de eerste helft van de dertiende eeuw, nu werd er gebouwd met baksteen. De kerk werd nogmaals naar het westen verlengd en bovendien verhoogd. Ook werd de kerk nu van gewelven voorzien. De romanogotische vormgeving is behalve in de meloenvormige gewelven het beste bewaard gebleven in de noordgevel, waar bij de restauratie een venster met een flankerend spaarveld zichtbaar werd. Het vijfzijdig koor is van nog latere datum, wellicht uit de tweede helft van de dertiende eeuw.
De opvallend dunne westmuur van de kerk was waarschijnlijk als noodmuur is gebouwd. Hieruit kan men opmaken dat het de bedoeling was de kerk nog verder te verlengen. De rond het jaar 1200 gebouwde toren, waarvan de twee onderste geledingen met reeksen rondbogige spaarvelden zijn gesierd en van tufstenen waterlijsten voorzien, stond daarvoor in de weg. Tot de afbraak van de hele toren, die naar het zuiden scheef gezakt was, is het niet gekomen; wel is hij in 1554 na gedeeltelijke afbraak opnieuw opgebouwd: een gedenksteen in de noordgevel van de toren meldt dat dit ten tijde van juffer Tiake Ripperda gebeurde. De verhoging bestaat uit drie door natuurstenen waterlijsten gescheiden geledingen die met natuurstenen hoekblokken worden verlevendigd.
Uit de zestiende eeuw dateren ook de grote gotische spitsboogvensters waarmee de kerk nu wordt verlicht. In de negentiende eeuw is een scheiding tussen koor en schip aangebracht. Deze wand is bij de restauratie gehandhaafd. De in slechte staat verkerende buitenbepleistering is wel verwijderd, zodat de bouwgeschiedenis aan het muurwerk kan worden afgelezen.
Het meubilair dateert in hoofdzaak uit het eind van de achttiende eeuw De eenvoudige preekstoel met doophek werd in 1794 door C. Grashuis en A. Buining gemaakt. Het grootste deel van de banken is in dezelfde stijl, zij het dat van oudere panelen gebruik is gemaakt. De bank tegenover de preekstoel heeft barok gesneden friezen. De zuidelijke herenbank met gestileerd figuraal snijwerk en met en overhuiving op getorste zuilen stamt uit de tweede helft van de zeventiende eeuw; de andere is een navolging uit 1921.
Het orgel is in 1704 door Arp Schnitger gebouwd. Alb. Anthoni Hinsz reduceerde in 1783 dit tweeklaviers tot een eenklaviers instrument. De orgelkas is een ontwerp van Allert Meijer en het snijwerk is van de hand van Jan de Rijk.
Tegen de noordwand van het koor is in de eerste helft van de vijftiende eeuw een half vrijstaand sacramentshuis gebouwd, met nissen op twee niveaus.
De meest opmerkelijke zerk is de priesterzerk voor Wemerus Alberti (t 1541) onder de orgeltribune. In het koor verwijzen twee wapenstenen met de wapens Ubbena-Coenders naar de voormalige grafkelder voor Everdina Ubbena (1687).
De schilderingen in de kerk zijn te verdelen in drie perioden. De oudste schilderingen dateren uit de dertiende eeuw. Die uit de veertiende en de vijftiende eeuw zijn vrijwel allemaal verloren gegaan. Het merendeel van het uitbundige schilderwerk is in 1571 aangebracht. De cartouche op de oostelijke velden van het middelste gewelf herinnert hier nog aan. Onder deze cartouche hangen links de wapens van Clant en Rengers en rechts die van Peter Abels. De ornamenten bestaan uit rolwerk, baksteen- en natuursteenimitatie, stippelwerk, lelies, klavers en schalen. In het westelijke gewelf van het schip zien we de heilige Catharina met het rad, geflankeerd door de heilige Christoffel, de heilige Patrick met de klaver en de heilige Pacratius met het zwaard. Verder zien we een huismerk met hamer, troffel en zaag. Aan de zuidkant van het orgel staat de vermoedelijke schenkster in klokrok afgebeeld. Intrigerend zijn de vier vrijwel identieke heren in 'Spaanse' kledij, hangend aan een lelietak, in het oostelijk deel van het gewelf van het schip. Binnen de sluitring staat een hert, geschilderd in de dertiende eeuw. Fragmenten van de vroegste beschildering zijn nog zichtbaar op het koorgewelf. Voornamelijk in de vorm van enkele figuren die de evangelisten symboliseren. Binnen de sluitring zien we het Lam Gods.
De torenklok is in 1435 gegoten ter ere van de heilige Pancratius. Waarschijnlijk was hij de patroonheilige van de kerk.
