standards:
xhtml  css

Leermens - Donatuskerk

Het Gebouw

De muren van het oudste gedeelte van de kerk te Leermens, het schip, bevatten veel tufsteen. Dit deel van de kerk dateert uit de 10de en 11de eeuw.

Het schip kreeg rond het eind van de 11de eeuw een eveneens tufstenen verlenging in oostwaartse richting. Waarschijnlijk werd het nieuwe deel afgesloten met een absis. Tegen de westgevel werd een tufstenen zadeldaktoren gebouwd (waarvan men de fundamenten heeft kunnen blootleggen), maar die in een vroegtijdig stadium verzakte en is gesloopt.

Rond 1175 werd het aangebouwde oostelijke deel van het kerkje uitgebreid met zijkapellen.

Hieronder is te zien hoe dat er in vogelvlucht uitgezien moet hebben.

Daarna, ca 1250, zouden er twee torens voor de kerk hebben gestaan, waarvan een kaart van de gebroeders Coenders uit ca. 1678 en een avondmaalsbeker uit 1659/60 getuigen; ook deze torens zijn in 1822 gesloopt in opdracht van de schout van t Zandt verdwenen.

Nadien werd op de westmuur een dakruiter met een achthoekige witte dakkapel geplaatst, die in 1959, na de grote brand van 28 april 1957, met de wijzerplaten geheel vernieuwd werd.

Op de spits van het torentje zijn thans twee vergulde bollen aangebracht met daarop een windvaan in de vorm van een pijl gecombineerd met een ring (een vereenvoudigde vorm van een zogeheten equatoriale zonnenwijzer).

Op de punt van de oostgevel staat op een bewerkt kruis een haan (symboliserend de waakzaamheid en de komst van het licht). De klok in het torentje dateert van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Halverwege de twaalfde eeuw werden in baksteen (kloostermoppen of kloosterstenen, die ter plaatse in veldovens gebakken werden) ter weerszijden dwarspand-achtige aanbouwen langs de verlenging van het schip neergezet, aan de oostgevel voorzien van halfronde nissen, waarin men altaren plaatste; de restanten - ronde bogen - daarvan zijn nog in de oostmuren van de beide dwarspanden te zien.

Deze altaarnissen rustten op platen van Bremer zandsteen, in afwijking van het schip en de aanbouwen, die gefundeerd waren op kiezels. Vervolgens werden deze dwarspanden aan de noord- en zuidzijde voorzien van topgevels, die daarmee het aanzien en de omvang van de dwarspanden vergrootten. Tussen de viering en de dwarspanden werden spitsbogige afscheidingen gemaakt. Tegelijk heeft men deze dwarspanden op gelijke hoogte gebracht met het, in de tussentijd verhoogde, schip. In de 13e eeuw werd het rechthoekige koor aan de kerk aangebouwd; tussen dit koor en de viering / het verlengde schip bevindt zich eveneens een spitsbogige afscheiding.

Exterieur

Aan de buitenzijde van de kerk is op veel plaatsen de grijswitte tufsteen te zien: zowel in grote vlakken (de noordwestgevel van het koor), als in stukken (de zuidelijke muur van het dwarspand), in losse stenen. Voorts zijn in de volledig uit bakstenen muren bestaande zijden (vooral van het koor) te zien hoe zeer men in staat was te boetseren en beeldhouwen met gemetselde bakstenen. In verschillende vormen en met een scala aan ornamenten werd het gebouw ook van buiten versierd.

De ramen van de kerk zijn overwegend klein en Romaans rond. Slechts de ramen in de zuidwand van het schip en van het dwarspand, die waarschijnlijk eerst in de 16e eeuw in de muren zijn uitgehakt, zijn groter en tonen de gotische spitsboog. Dat is eenvoudig te verklaren. Immers, het zuiden is de kant van de lichtinval (zon) en het noorden is vaak de kant van de koude en duisternis.

In de noordwand van het schip bevinden zich enkele lage vensters, waarvan men vermoedt dat het hagioscopen zijn geweest (thans bevinden zij zich ten dele achter de banken van het schip).

Interieur

Het huidige orgel is in 1963 door de gebroeders Van Vulpen gebouwd ter vervanging van het in 1957 verbrande instrument dat in 1873 gebouwd was door Petrus van Oekelen. Het staat op de gaanderij, boven de westelijke entree en de nevenruimten.In het schip liggen thans plavuizen, die deels de grafzerken vervangen die samengebracht zijn in het koor.

Een grafsteen in het zuiderdwarspand vraagt aandacht: Het zandstenen gedenkteken van pastoor Richard Jacobi, overleden in 1549. Eertijds heeft dwars door de kerk tegen de oostwand van de dwarspanden en voor het koor langs een zogeheten doxaal gestaan. Alleen in het zuiderdwarspand is een rest van dit doxaal te zien voorzien van de oorspronkelijke beschildering (het lijdensverhaal?) en ondersteund door een Dorische zuil. In de vloer van de kerk staan de plaatsen van de andere steunende zuilen aangegeven.

Door dit doxaal ontstonden zowel in het noorder- als in het zuiderdwarspand ruimten voor zijaltaren. Thans is op de plaats van dit altaar in het zuiderdwarspand een gedachtenis- of stiltehoek te vinden. In de zijmuur van het noorderdwarspand bevindt zich een laag venster dat uitzicht gaf op het zijaltaar in een nis of absis. [Dit altaar was gewijd aan Maria en Anna; resp. de moeder en de grootmoeder van Jezus].

In dit deel van de kerk staan tegen de muur twee grafstenen opgesteld, die oorspronkelijk in de kerk lagen: De ene steen is voor Willem Clant to der Borch overleden in 1541 (deze steen lag waarschijnlijk voor de middelste boog van het doxaal. De Borch betreft de borg Bolsiersema, die tot 1725 ten noorden van Leermens stond. Op de plaats daarvan staat thans op een omgraven terrein een boerderij met dezelfde naam. De andere steen is voor jonker Garment Jarghes; hij overleed op 25 oktober 1619.

De kansel dateert uit het derde kwart van de 17e eeuw. Hij heeft een zeszijdige kuip, vijf kuipvelden met verhoogde profielvlakken, festoen met bladeren en bloemen, getordeerdezuilen en Korintischekapitelen. Het zeskantige klankbord met een open sierrand dateert uit de eerste helft van de 18e eeuw en de onderkuip is gemaakt tijdens de restauratie na de brand van 1957.

Onder de kansel bevindt zich een luik dat toegang geeft tot de kelder onder het koor. Deze kelderruimte was oorspronkelijk waarschijnlijk bedoeld om als grafkelder te gaan dienen, maar is voor dat doel nooit gebruikt [wel om tijdens de Tweede Wereldoorlog als schuilplaats te dienen voor onderduikers; in één van muren heeft een onderduiker zijn naam gegrift].

Het koor

De vloer van het rechthoekige koor is deels belegd met al dan niet geglazuurde estriken en de uit het schip afkomstige grafstenen. Door middel van zwarte stenen is de plaats waar vroeger het altaar moet hebben gestaan aangegeven. En één altaar-steen (altaar-mensa) ligt eveneens in de vloer.

Over het koor heen spreidt zich een acht-veldig koepelgewelf uit, afgezet met niet-dragende ribben. Deze acht velden zijn twee aan twee in vergelijkbare sierpatronen gemetseld, die vervolgens met verf zijn aangezet. In de dubbele sluitring van het gewelf zijn de symbolen van de Evangelisten afgebeeld (engel/mens voor Mattheüs; leeuw voor Marcus; rund/stier voor Lucas; adelaar voor Johannes) en het Lam Gods met de kruisvlag.

In de oostmuur bevindt zich een nis, de piscina; de (water) afvoer hiervan loopt door de oostmuur naar buiten. In het koor zijn zeven nissen aan te treffen, waarvan met vermoedt dat ze gebruikt werden als opslagplaats voor liturgische voorwerpen.

De muurschilderingen

Deze dateren uit de periode 1400-1450. op de noordwand van het koor bevindt zich een fragment van een schildering die de bisschop Donatus moet voorstellen, de naamheilige van de kerk. op de zuidwand van het koor staan tussen de ramen afgebeeld: de moeder Gods met een kind op haar arm en in haar hand een scepter (de koningin van de hemel), de H. Ursula (zij en haar gezellinnen zijn aan het eind van de derde of begin vierde eeuw bij Keulen ter dood gebracht door de hunnen) en een gedeelte van de H. Sebastiaan (afkomstig uit Milaan aan het eind van de derde eeuw en paleiswacht van keizer Diocletianus; afgebeeld op het moment dat men hem als straf voor zijn christen zijn probeert te doden met.pijlen.

Dit gelukte niet en men knuppelde hem in het Colosseum te Rome dood. Hij is beschermer tegen de pest en beschermheilige van soldaten en schutters).

Op de muren van het koor bevinden zich twee wijdingskruisen (waarschijnlijk waren het er oorspronkelijk 12 vanwege de 12 leerlingen (apostelen) van Jezus. Deze wijdingskruisen werden door de bisschop met zalfolie bestreken bij de ingebruikname van een kerkgebouw.

Het plafond van het schip en de beide dwarspanden is van hout. Sommigen stellen dat dit een teken is van de hoge ouderdom van het kerkgebouw. In oude tijden was het moeilijk (bouwtechnisch en vanwege de neerwaartse druk door het gewicht van de stenen) en kostbaar (veel steen noodzakelijk) om gewelven te maken en met hout kon men de aanzienlijke breedte van de kerk gemakkelijker overbruggen.

2006 - Tekst: Anton van der Lingen, Illustraties, foto en redactie: Eelco Bruinsma (Cheperu). Dit document is gemaakt in het kader van het project: 10 Kerken. Romanogotiek in Groningen