standards:
xhtml  css

Oosterwijtwerd - Mariakerk

Op de zuidoostelijke kant van de wierde stond tot 1745 het Huis te Oosterwijtwerd, de borg van de heren van het dorp; aanvankelijk (na 1411) de Oostfriese Ukena's, sinds 1452 de Ripperda's en na 1738 hun erfgenamen. De borg is verdwenen (het borgterrein is nog wel te herkennen), maar in de kerk herinnert veel aan de vroegere aanwezigheid van het splendidiss Ripperdarum gente, het 'aanzienlijk geslacht der Ripperda's' (zandstenen epitaaf in het koor).

Kerk

Het kerkgebouw heeft de eeuwen doorstaan en behoort samen met die van Marsum en Eenum, de zogenaamde groep-Marsum, tot de oudste bakstenen kerken in dit deel van de provincie Groningen. Het is een eenvoudige zaalkerk met een inspringende halfronde absis. De kerk is gebouwd in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Het gebouw wordt gedekt door een kap die grotendeels uit de bouwtijd van de kerk dateert. Ondanks latere reparaties en veranderingen zijn er nog 21 originele gespannen. Er zijn ook nog resten van de oorspronkelijke telmerken vinden (streepjes). Het dak wordt bekroond door een dakruiter op het westelijke einde. Op de dakruiter staat een windvaan met het wapen Ripperda. In de dakruiter hangt een luidklok uit 1694, gemaakt door Pieter Vermaten uit Amsterdam. De dakruiter kwam in de plaats van een vrijstaande klokkentoren, die in 1665 tijdens het luiden ter gelegenheid van het overlijden van stadhouder Ernst Casimir was ingestort. De zijmuren vertonen op circa 3,5 m. hoogte een versnijding, waardoor een spaarveld over de volle lengte van de gevels ontstaat. In deze zone plaatste men de oorspronkelijke rondbogige vensters, zoals een intact venster aan de oostkant en een gedichte aan de westkant van de noordmuur laten zien. Aangezien deze vensters erg hoog zitten en bijna tegen de daklijst stoten, lijkt het waarschijnlijk dat de gevels ooit zijn verlaagd. Later was er behoefte aan meer licht in de kerk en creëerde men enkele ingebroken grote rondboogvensters; één in de noord- en drie in de zuidgevel. De absis, waarvan de sluitingszijden opwaarts naar elkaar toe lopen, heeft drie lager geplaatste rondboogvensters, waarvan het middelste is dichtgemaakt. In de rechtgesloten westgevel bevindt zich de huidige ingang, met daarboven een steen met het wapen van de familie Ripperda en de resten van een hoog venster. Latere wijzigingen in de langsgevels zijn de dichtgemaakt geprofileerde ingangen, een dichtgemaakt laatgotisch venster in de buurt  van de inspringing van de absis in de zuidgevel en twee kleine vierkante lichtvensters ten noorden en zuiden van de orgelgalerij.

Interieur

Het interieur wordt overdekt door een vlakke houten zoldering waarvan een drukkende werking uitgaat. De ruimtewerking wordt ook beperkt door een houten schotwerk uit 1925 boven het balusterhek van 1855, waardoor het koor aan het zicht onttrokken is. In het schip staat de kansel centraal, die dateert uit 1666 en bestaat uit een klankbord en een kuip met lampet. De kuip heeft boogpanelen met getorste zuilen op de hoeken en aan de muur is de barethouder bevestigd. De dooptuin is grotendeels nog aanwezig, zij het. Enkele delen van het doophek, met kleine balusters in het bovendeel, zijn gebruikt als voorschot van enkele banken.

De borgbewoners hadden de beschikking over een fraaie overhuifde herenbank met getorste zuilen en een gesneden opzetstuk met het alliantiewapen Ripperda - Ripperda. Voor de gaven van barmhartigheid maakte men gebruik van een 17e eeuws offerblok, waarvan de paalvormige schacht is versierd met opgelegde siertrossen.

Het bankenplan is grotendeels 19e eeuws met enkele fragmenten van gesneden banken uit de 17e eeuw. De wijzerplaat op de orgeltribune dateert uit 1681 en wordt sinds 1993 weer gecompleteerd door een replica van het oude uurwerk. Het orgel is een in 1741 vervaardigd huisorgel van Christian Muller, dat in de 19e eeuw in Oosterwijtwerd is gekomen en in 1895 door J. Doornbos is verbouwd en van een nieuwe kas is voorzien.

Na de Hervorming veranderde het koor steeds meer in een mausoleum voor het geslacht Ripperda. Onder de vloer van het koor bevindt zich een grafkelder waarin vier leden van de familie zijn bijgezet. Opvallend is de zandstenen epitaaf voor Gijsbert Herman Ripperda ( 1695), dit is classicistisch vormgegeven met een uitvoerig Latijns opschrift tussen twee reeksen van acht kwartierwapens met helmtekens en bekroond met het door griffioenen gehouden wapen van de familie Ripperda. Daarnaast hangen in het koor nog drie 'klassieke' rouwborden waaronder één voor Margaretha Elisabeth Ripperda (1738), de laatste van haar geslacht te Oosterwijtwerd.

In de kerk bevinden zich nog enkele grafzerken uit de 17e t/m de 19e eeuw, waaronder één uit 1708 van een 'huisvrou' van een eigenerfde boer, die 'mede collator tot Oosterwytwert' was, waaruit blijkt dat de Ripperdas niet de enige collatoren van de kerk waren.

De zerk van dominee Bernardus Marissen uit 1807 is nog aanwezig. Deze predikant gaf zijn gemeente het volgende mee: Een ieder wie dit leest, houw moed, God is verzoend in Christus bloed.