Op de zuidoostelijke kant van de wierde stond tot 1745 het Huis te Oosterwijtwerd, de borg van de heren van het dorp; aanvankelijk (na 1411) de Oostfriese Ukena's, sinds 1452 de Ripperda's en na 1738 hun erfgenamen. De borg is verdwenen (het borgterrein is nog wel te herkennen), maar in de kerk herinnert veel aan de vroegere aanwezigheid van het splendidiss Ripperdarum gente, het 'aanzienlijk geslacht der Ripperda's' (zandstenen epitaaf in het koor).
Het interieur wordt overdekt door een vlakke houten zoldering waarvan een drukkende werking uitgaat. De ruimtewerking wordt ook beperkt door een houten schotwerk uit 1925 boven het balusterhek van 1855, waardoor het koor aan het zicht onttrokken is. In het schip staat de kansel centraal, die dateert uit 1666 en bestaat uit een klankbord en een kuip met lampet. De kuip heeft boogpanelen met getorste zuilen op de hoeken en aan de muur is de barethouder bevestigd. De dooptuin is grotendeels nog aanwezig, zij het. Enkele delen van het doophek, met kleine balusters in het bovendeel, zijn gebruikt als voorschot van enkele banken.
De borgbewoners hadden de beschikking over een fraaie overhuifde herenbank met getorste zuilen en een gesneden opzetstuk met het alliantiewapen Ripperda - Ripperda. Voor de gaven van barmhartigheid maakte men gebruik van een 17e eeuws offerblok, waarvan de paalvormige schacht is versierd met opgelegde siertrossen.
Het bankenplan is grotendeels 19e eeuws met enkele fragmenten van gesneden banken uit de 17e eeuw. De wijzerplaat op de orgeltribune dateert uit 1681 en wordt sinds 1993 weer gecompleteerd door een replica van het oude uurwerk. Het orgel is een in 1741 vervaardigd huisorgel van Christian Muller, dat in de 19e eeuw in Oosterwijtwerd is gekomen en in 1895 door J. Doornbos is verbouwd en van een nieuwe kas is voorzien.
Na de Hervorming veranderde het koor steeds meer in een mausoleum voor het geslacht Ripperda. Onder de vloer van het koor bevindt zich een grafkelder waarin vier leden van de familie zijn bijgezet. Opvallend is de zandstenen epitaaf voor Gijsbert Herman Ripperda ( 1695), dit is classicistisch vormgegeven met een uitvoerig Latijns opschrift tussen twee reeksen van acht kwartierwapens met helmtekens en bekroond met het door griffioenen gehouden wapen van de familie Ripperda. Daarnaast hangen in het koor nog drie 'klassieke' rouwborden waaronder één voor Margaretha Elisabeth Ripperda (1738), de laatste van haar geslacht te Oosterwijtwerd.
In de kerk bevinden zich nog enkele grafzerken uit de 17e t/m de 19e eeuw, waaronder één uit 1708 van een 'huisvrou' van een eigenerfde boer, die 'mede collator tot Oosterwytwert' was, waaruit blijkt dat de Ripperdas niet de enige collatoren van de kerk waren.
De zerk van dominee Bernardus Marissen uit 1807 is nog aanwezig. Deze predikant gaf zijn gemeente het volgende mee: Een ieder wie dit leest, houw moed, God is verzoend in Christus bloed.
