standards:
xhtml  css

1922 - De groote klok in den toren te Uithuizen

Gedigitaliseerd artikel uit de Groningsche Volksalmanak.
B. Lonsain, De groote Klonk in den toren te Uithuizen, in Groningsche Volksalmanak, 1922, 168-171.


Scan (Trezorix), OCR (Trezorix), eerste bewerking en publicatie (Cheperu).

De tekstblokken van dit artikel zijn vanuit het OCR-document online geplaatst. Een eerste correctie heeft plaatsgevonden. Het document kan nog OCR-fouten bevatten.

Status: in bewerking, eindredactie volgt.

De kerkvoogdij te Uithuizen besloot in 1787, onder goedkeuring van den collator jr. Unico Allard Alberda van Menkema, de groote torenklok te doen omgieten en dit werk aan den klokgieter Hammeus Heidefeld op te dragen. De oude klok, die tal van geslachten lief en leed had aangekondigd, was invalide geworden. Door een scheur in den mantel waren de golvende, heldere tonen overgegaan in een kort heesch geluid. Ze was als een oude van dagen, die voor het practische leven niet meer van nut kan zijn.

Hoelang had zij ook wel dienst gedaan? Wij weten het niet. Haar opschriften, zeer zeker vermeldende den naam van den gieter en het jaartal van haar geboorte, en mogelijk een toepasselijke spreuk of den naam van den heilige, aan wien zij eenmaal in allen ootmoed werd opgedragen, zijn in den smeltkroes verdwenen. De oude klok werd "spijs" voor de nieuwe, haar opvolgster, die haars gelijke moest worden in gewicht en haar in schoonheid van klank moest overtreffen.

Het gieten en omgieten van klokken geschiedde, om practische redenen, in den regel ter plaatse, in de nabijheid van den toren te Uithuizen had dit plaats op de Blink, het plein aan het eind van de haven van het Boterdiep.

In het archief der kerkvoogdij wordt het contract bewaard, waarin de voorwaarden voor deze metamorphoseering worden omschreven.

Artikel 1 van het contract spreekt van het graven van den kuil en het aanleggen van den bodem, "waarop de form moet worden bereid". Dit was het grondvlak onder in den kuil of gietput, waarop de van leem samengestelde vorm moest worden opgebouwd. Het spreekt van zelf dat deze voorbereidingen met veel zorg en overleg dienden te worden uitgevoerd.

Door het versmelten der oude klok zou natuurlijk veel aan gewicht verloren gaan. Daarin was voorzien door de bepaling, dat de kerk, om dit verlies aan te vullen, 450 pond koper zou bijvoegen. Het eventueel dan nog ontbrekende zou door den klok gieter tegen betaling worden bijgeleverd.

Bijzonderheden over den loop van het werk zijn ons niet bekend, de rekeningen in het kerkarchief vertellen ons alléén, dat de oude klok in de laatste dagen van Augustus uit den toren werd gehaald en op 1 September den beganen grond had bereikt, en dat de nieuwe op 22 October d. a. v. haar hooge standplaats had ingenomen. Dat het niet aan belangstelling van de zijde der dorpelingen zal hebben ontbroken, is wel zeker. En die belangstelling zal zich wel in hoofdzaak hebben gericht op den gietoven en den grooten smeltkroes, en vooral op het "ontmantelen", het verwijderen der "valsche" klok. Dit laatste was een oogenblik van spanning voor de omstanders en niet het minst voor den meester, wiens werk, door een technisch gebrek in den gietvorm, waardeloos kon zijn, en omsmelting onvermijdelijk kon worden.

De klok is ongeschonden uit den gietkuil te voorschijn gekomen met het opschrift:

UNICa ALLARD ALBERDA HEER VAN MENKEMA EN ONDERHORIGE DORPEN PRIMARIUS COLLATOR VAN UITHUIZEN ETC. ETC. ETC. VERGOTEN DEN 4 OCTOBER 1787 TOT UITHUIZEN DOOR MAMMEUS FREMY HEIDEfELD ET MAMMEUS FREMY.

De klokgieter kon het werk ten genoege van zijn lastgevers opleveren. Van de aannemingssom, groot 350 gulden, werd hem op 18 November 1788, toen de klok een jaar in den toren had gehangen en blijken had gegeven aan de eischen te voldoen, de laatste termijn uitbetaald.

De torenklok te Tinallinge werd evenwel, blijkens een rekening in het archief der kerkvoogdij aldaar, in 1787 omgegoten op het kerkhof te Grijpskerk. Zoo ook blijkt uit een artikel van ds. M, ten Broek in het maandblad "Groningen" (3e jaarg., 3e afl.), dat te Westeremden ook klokken werden gegoten voor andere dorpstorens,

De Nederlandsche klokgietkunst stond, vooral in de 15de en 16de eeuwen, zeer hoog. De van Wou's, Sconenborch' s e. a., waren in die tijden meesters in hun vak. Ook de gebroeders Hemonij hebben in de 17de eeuw, als vervaardigers van: speelklokken (carrillons), vermaardheid verworven. De latere klokgieters teerden op den roem hunner voorzaten, en de ,,fabrikage" van hedendaagsche torenklokken, met de moderne hulpmiddelen, mist alle poëzie.

De klokken in onze middeleeuwsche torens verdienen onze belangstelling, niet alleen als gedenkstukken uit het verre verleden, maar bovenal door hun kunstwaarde.

B. LONSAIN.