Oldenhuis

Johan Rengers vertelt in zijn kroniek, dat een dochter van Ebbe Ackinga getrouwd was met Dutmer Rengers. Hieruit leidt men af, dat de familie Rengers niet alleen het huis te Woltersum, maar ook het Oldenhuis verkregen zou hebben. Uit een akte van 1411 en uit het feit, dat Dutmer en Hisse een zoon hadden, Focke geheten, zou eerder af te leiden zijn, dat Hisse een dochter van Focke Ackinga is geweest (zie ook bij het huis Woltersum).

Dutmer Rengers is voor 1449 gestorven. Zijn zoon Johan komt in 1454 voor "ten Oldenhues". De naam duidt aan, dat het toen al enige tijd moet hebben bestaan.

In 1469 kwamen de kinderen van Hisse, de weduwe van Dutmer Rengers, overeen, dat na haardood Focke het huis, waar hij met zijn moeder woonde, zou erven met de hofstede, getimmerte, muurhuis, schuren, grachten, singelwal, appelhof enz., met alle gerechtigheden. De drie broers hadden dus elk een borg: Johan Scharmer (zie aldaar), Egbert Tuwinga en Focke Oldenhuis. Het waren trouwens niet hun enige bezittingen.

Van Focke Rengers ging het huis over op zijn zoon Dutmer, die eerst getrouwd was met Berthe Entens, later met de Overijselse Maria Duisterbeke. In de verwarde oorlogsjaren na 1500 schijnt hij te zijn uitgeweken, althans in 1527 woonde het echtpaar in Steenwijk.

In 1512 had Dutmer Oldenhuis verkocht aan zijn neef Johan Rengers van ten Post, die ook Tuwinga bezat. Na zijn dood in 1539 vererfde het huis op zijn zoon Sweer. Deze overleed in 1558 en ligt op het koor in de kerk te Wittewierum begraven. Een zoon van hem Johan Rengers toe Oldenhuis, zou jong gestorven zijn. Zo ging Oldenhuis over op Sweers dochter Judith, die getrouwd was met Geert van Warmelo tot Westerveld, drost van Salland. Het echtpaar had twee dochters, Barbara en Assuere. Barbara was getrouwd met Johan van Weleveld, Assuere met Johan van Asscheberg tot Oldebokum. Bij de scheiding van de goederen van Judith verkregen de Welevelds Woltersum, de Van Asschebergen Oldenhuis, in 1631. Nog in hetzelfde jaar verkochten dezen Oldenhuis met schathuizen, hoven, grachten, singels, steen, vermuurd en onvermuurd, kerkstoelen met legersteden, zijlrechten en collaties aan Edzard Rengers, drost te Wedde, en zijn broer Rempt Rengers ten Post, zonen van de kroniekschrijver Johan Rengers, die reeds Tuwinga bezat. De weduwe van Rempt verkocht in 1635 haar helft aan Edzard. Diens zoon Egbert noemde zich heer toe Tuwinga en Oldenhuis. Sindsdien zijn beide borgen in één hand gebleven, waarbij Oldenhuis het eerst het loodje moest leggen. Een kleinzoon van voornoemde Egbert, ook Egbert geheten, zou in 1715 Oldenhuis hebben laten slopen.

BRON: De Ommelander borgen en steenhuizen, ISBN 90 232 2314 4